Een moeilijk maar kansrijk nabuurschap

Het nabuurschap is de Nederlanders en de Duitsers als geografisch lot toebedeeld, het werkt door in alle aspecten van het leven. Ooit bestond er een zelfgekozen verwantschap tussen de beide landen. Maar daarmee, zegt de Duitse historicus, filosoof en schrijver Christian von Krockow, is het op een of andere manier misgelopen.

Nu de Duitsers na de val van de Muur hun vijandbeeld hebben verloren, en als het ware door vrienden zijn omsingeld, ontstaan er nieuwe mogelijkheden om de banden tussen de Duitsland en Nederland te versterken.

Onderstaande tekst is een bekorte versie van de 22ste Huizingalezing die Von Krockow gisteren in de Leidse Pieterskerk heeft gehouden. De lezing wordt jaarlijks georganiseerd door de Rijksuniversiteit Leiden, de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde en NRC Handelsblad.

De volledige tekst van deze 22ste Huizingalezing zal begin volgend jaar verschijnen bij uitgeverij Bert Bakker.

Mijn eerste kennismaking met Nederland kwam een paar jaar na het eind van de Tweede Wereldoorlog tot stand via een man die terugkeerde uit ballingschap, Helmuth Plessner, en door zijn leerlingen die na hem kwamen, zoals Jan Glastra van Loon en Lolle Nauta. Plessner moest Duitsland in 1933 verlaten. Dank zij Frederik Buytendijk kwam hij terecht in Groningen. Daar kreeg hij in 1939 een bijzonder hoogleraarschap waarvan de Duitse inval hem weer beroofde. Hij heeft de oorlog in Amsterdam overleefd, ondergedoken bij vrienden.

Op uitnodiging van de Groningse studenten hield Plessner kort na 1933 een lezing over Duitsland en de Duitsers. Daaruit is een boek voortgekomen: 'Das Schicksal deutschen Geistes am Ausgang seiner bürgerlichen Epoche' dat later bekend is geworden onder de titel 'Die verspätete Nation'. Met Heinrich Heine's 'Geschichte der Religion und Philosophie in Deutschland' is dit tot op heden het meest diepgravende en meest verhelderende onderzoek van de Duitse geschiedenis.

Niet toevallig gaat het bij beide boeken om vruchten van ballingschap - vruchten van een verblijf in den vreemde dat de dichter zowel als de filosoof tot een tweede vaderland werd en hem leerde het eerste met andere ogen te zien. Met deze winst aan inzicht dus, opgedaan op afstand van het anders altijd slechts nabije en vanzelfsprekende, keerde Plessner naar Duitsland terug - en juist daardoor is hij mijn academische leraar, mijn geestelijke vader geworden. Ik heb de uitnodiging voor deze lezing met dankbaarheid aanvaard, vooral omdat ze me tegelijkertijd een eerbewijs voor Helmuth Plessner lijkt en ze me de gelegenheid geeft als Duitser te bedanken voor het onderdak dat hij kreeg in Nederland en dat hem het leven redde.

Maar nu het thema. Het nabuurschap is de Nederlanders en de Duitsers als geografisch lot toebedeeld. Het werkt door in alle aspecten van het leven, van de economie tot vakantiereizen. Nabuurschap resulteert noodzakelijkerwijs in intensiteit, maar ook in een tweeslachtigheid van de betrekkingen, waaruit net zo goed diepe genegenheid - om niet te zeggen liefde - kan ontstaan, als haat. Zoals bekend is de uitwerking van geen enkel conflict zo bitter als dat in de directe omgeving; als ergens een misdrijf wordt gepleegd dat opzien baart, een moord of een verkrachting, dan zoekt de ervaren speurder eerst in de buurt naar de dader, in de familie, de vriendenkring. En meestal vindt hij hem daar.

Moeilijk wordt nabuurschap vooral in verbinding met asymmetrie, zoals die inherent is aan de relatie tussen een groot en een veel kleiner land. Slechts als voorbeeld noem ik de asymmetrie in de verslaggeving. Vanzelfsprekend hebben de Nederlandse radio- en televisieomroepen of NRC Handelsblad hun correspondent in Bonn. Duitse correspondenten zijn er wel in Parijs, Londen en Brussel. Maar in Den Haag of Amsterdam? De man in Brussel moet Nederland er maar bij doen. Maar die heeft al genoeg werk aan de Europese Unie en de NAVO, en meestal schept de taal een barrière.

Aan de taal als basis van alle betrekkingen is al een nieuwe asymmetrie te zien: ik kan hier en nu mijn lezing in het Duits houden. De Nederlander echter die voor een soortgelijke bijeenkomst naar Göttingen of Tübingen wordt uitgenodigd zou geen Nederlands kunnen spreken als hij wil worden verstaan. Kortom: uit de asymmetrie ontstaat bijna vanzelfsprekend een moeilijk nabuurschap, die aan de ene kant makkelijk overgaat in lompe onwetendheid en schouderkloppende superioriteit, terwijl men aan de andere kant het kleiner-zijn compenseert met een belerend moralisme, in de aangename veronderstelling méér van vrijheid en gelijkheid of tolerantie te begrijpen.

Het is niet altijd zo geweest. Er is een tijd geweest waarin Nederland groot, rijk en machtig leek, en Duitsland daarentegen versplinterd was in tientallen doorgaans armzalige gebieden. Een van die gebieden, nog wel een bijzonder achterlijk en verscheurd gebied ook, was Brandenburg-Pruisen, waarvan aan het begin van de zeventiende eeuw zeker niemand zich heeft kunnen voorstellen dat het ertoe was voorbestemd ooit het nieuwe Duitse Rijk te stichten dat een invloedrijke Europese mogendheid werd. Maar juist daar begon in het jaar 1613 een bijzondere en bijna twee eeuwen lang ook wezenlijke relatie met de Nederlanden.

Op het eerste gezicht ging het om een historische curiositeit. Twee Duitse vorsten ruzieden om hun aanspraken op gebieden aan de Nederrijn en rondom Kleef. Beiden waren lutheraan. Om zich te verzekeren van de steun van de keizer werd de één haastig katholiek. De ander daarentegen, de keurvorst van Brandenburg, ging over tot het calvinisme, om de Nederlanden aan zijn kant te krijgen. In een tijd waarin godsdienst belangrijker was dan al het overige kwam het sindsdien tot een nauwe band tussen de huizen Oranje en Hohenzollern, want verder bestond immers nauwelijks een mogelijkheid een confessioneel onberispelijk huwelijk te sluiten.

Zo bracht de Grote Keurvorst, die van 1640 tot 1688 bijna een halve eeuw regeerde, in zijn jeugd drie vormende jaren in de Nederlanden door en keerde getrouwd terug. Voor zijn gemalin bouwde hij het kasteel Oranienburg, en nu nog staat voor dit slot het standbeeld van een lieflijke jonge vrouw, met op de sokkel het opschrift: “Der hohen Wiederbegründerin dieser Stadt LUISE HENRIETTE Churfürstin von Brandenburg geborene Prinzessin von Oranien zum dauernden Gedächtnis die dankbare Bürgerschaft Oranienburgs 1858”. Vlak bij Oranienburg heet een dorp simpelweg 'Holland' en een Luise Henriette-stichting voor liefdadigheid heeft zelfs de communistische heerschappij overleefd.

In praktische zin had de zelfgekozen verwantschap tussen Brandenburg en de Nederlanden drie gevolgen. In de eerste plaats tolerantie. De Brandenburgse onderdanen waren lutheranen; met de verandering van godsdienst door het vorstenhuis ontstond een 'calvinisme van boven', zo ongeveer als spiegelbeeld van de Nederlandse verhoudingen. Daar kwam een lastige toestand uit voort, het typische nabuurconflict: “Liever Turken in het land dan de gereformeerden!”, zo luidde een leus van de ijverende lutheranen.

Keurvorst Johann Sigismund probeerde dan ook bij zijn overgang naar het calvinisme in 1613 de ophef door een edict te sussen. Daarin stond: “Ook wil Zijne Keurvorstelijke Genade openlijk of heimelijk geen onderdanen tot zijn belijdenis dwingen, doch de koers en de loop van de waarheid God alleen toevertrouwen, omdat die afhangt van Gods erbarmen en niet van rennen en lopen.”

Een edel woord, en meer nog: een bestendige praktijk, bijna twee eeuwen lang. Steeds opnieuw zijn de Brandenburgse keurvorsten - die vanaf 1701 koningen van Pruisen werden - tegen de intolerantie opgetreden. Paul Gerhardt, de beroemde liederendichter, tevens een harde lutheraan, werd door de Grote Keurvorst uit zijn Berlijnse dominees-ambt verdreven omdat hij, hoewel het hem afgeraden was, zijn “hetze van de kansel” niet wilde staken. Zo ging dat door tot Frederik de Grote. Hij was weliswaar een ver van het geloof afstaande cynicus, maar dat deed geen afbreuk aan het tolerante beleid. Op de vraag of katholieken het burgerrecht kunnen verwerven, antwoordde hij: “Alle religies zijn gelijk en goed, indien de mensen, als ze zich ertoe bekennen, maar eerlijke lieden zijn. En als er Turken en heidenen komen om het land te bevolken, dan willen we hun moskeeën en kerken bouwen. Eenieder kan bij mij geloven wat hij wil, als hij maar eerlijk is.” (Intussen zijn de Turken er, net als de heidenen, en confronteren ons met de vraag hoe heerlijk ver we het sinds de tijd van Frederik de Grote hebben geschopt).

Een resultaat van de tolerantie was het immigratiebeleid, zoals in dit citaat al wordt aangeduid. Het belangrijkste is het 'Edict van Potsdam' in 1685, dat binnen slechts twee weken antwoordde op de opheffing van het Edict van Nantes door Lodewijk XIV. De godsdienstvluchtelingen uit Frankrijk waren welkom, en ze zijn in scharen gekomen. Bijwijlen was elke vierde inwoner van Berlijn een hugenoot, en met de Salzburgers, de Bohemers en veel anderen ging het net zo.

De volgende, praktische relatie heeft met de waterhuishouding te maken. Brandenburg werd 'de strooizanddoos van het Heilige Roomse Rijk' genoemd, wat betekent: de ene helft bestond uit zandgronden die het water niet vasthielden - en daarom bestond de andere helft uit moeras- of braakland, doorgaans met minimale opbrengsten. Om het vruchtbaar te maken had men waterbouwkunstenaars nodig, en die kon men nergens anders vinden dan in Holland. Welkom waren dan ook kolonisten die met dijken, zijlen en slootsystemen konden omgaan. Daarom heette tot 1945 een kleine stad in Oost-Pruisen bij de benedenloop van de Wisla 'Preussisch-Holland', de meest sprekende van alle verwantschapsformuleringen. En de man die aan de Oder, zoals Frederik zei, een nieuwe provincie temidden van vrede ontsloot, heette Van Haerlem. Overigens zijn er in Europa geen gebieden die meer door kanalen zijn doorsneden dan Nederland en Brandenburg.

De derde en historisch waarschijnlijk belangrijkste kant van de zelfgekozen verwantschap is gevat in het begrip 'deugden'. De kleinzoon van de Grote Keurvorst, Frederik Willem I, wel de Soldatenkoning genoemd, was net als zijn grootvader als jongeman in de Nederlanden geweest en diep onder de indruk geraakt: wat een welvaart, wat een rijkdom zelfs, vergeleken met het armzalig achterlijke Pruisen! En hoe kon hij die zelf bereiken? Klaarblijkelijk door de mensen de burgerdeugden bij te brengen die belangrijk waren: vlijt, spaarzaamheid, zin voor orde, de bereidheid te presteren. Vóór alles moest men de neiging tot ledigheid bestrijden, zoals bekend het begin van alle ondeugd, en daartoe vaardigde de koning de ene beschikking na de andere uit: marktvrouwen behoorden niet te leuteren als ze even niets verkochten, maar moesten kousen breien. Het waren niet alleen curiositeiten; Frederik Willem I is een belangrijke en op lange termijn vormende opvoeder van zijn onderdanen geworden.

Ik kom op deze poging tot een overheveling van deugden straks nog terug.

Wie Potsdam bezoekt kan zich van de Nederlandse invloed op de 'Soldatenkoning' een beeld vormen. Hij heeft daar een Hollandse wijk laten bouwen. Nog belangwekkender en voor het historische beeld veel belangrijker dan het beroemde Sanssouci van Frederik de Grote is het jachtslot Stern, het enige dat Frederik Wilhelm zich gunde, aan de rand van Potsdam-Babelsberg. Werkelijk een slot? vraagt men, als men ervoor staat. In werkelijkheid gaat het om een eenvoudig Nederlands burgerhuis waarvan de fundamenten nauwelijks zestien bij negen meter meten en dat hier ergens aan een gracht zou kunnen staan.

In de roerige jaren tussen 1784 en 1787 was erfstadhouder Willem V al bijna verdreven, maar tot zijn geluk was er weer een huwelijk tussen een Oranje en een Hohenzollern geweest, en het mishaagde de koning van Pruisen wat zijn zwager en zijn zuster overkwam. Daarom stuurde hij zijn troepen. Mogelijk moet men dus ironisch zeggen: als het Huis van Oranje nog steeds regeert, heeft dat ook iets met de invasie van de Pruisen van doen.

Het omgekeerde was helaas of godlof niet mogelijk. Keizer Wilhelm II heeft in 1918 asiel in Nederland gevonden, en de regering weigerde hem aan de geallieerden uit te leveren. Maar in 1940, na de Duitse overval en de zege op Frankrijk, stuurde Wilhelm II Hitler een felicitatietelegram. De keizer was altijd al berucht om zijn tactloosheden, maar een kwalijker streep onder oude en vruchtbare betrekkingen is moeilijk te bedenken.

Op de een of andere manier - daarop duidt niet alleen deze episode - is het met de zelfgekozen verwantschap uiteindelijk misgelopen. Maar wat zijn de oorzaken?

Ik kom terug op de deugden. Zoals al gezegd: Frederik Willem I wilde de burgerdeugden die hij in de Nederlanden had ontdekt, naar Pruisen overhevelen. Alleen bestond daar geen zelfbewust daadkrachtig burgerdom, dat was door de Dertigjarige Oorlog volledig en voor lange tijd geruïneerd. Wat er wel was, waren de autoritaire staat en zijn onderdanen. Daarom moest de daadkracht van de staat uitgaan. Zo werden de deugden Pruisisch herleid; zo hebben ze in plaats van de verbazingwekkende burgersamenleving de verbazingwekkende staat geschapen, waarvoor niet de welvaart telde, maar de macht. Macht echter is een middel, geen doel op zichzelf: aldus komt de vraag op waartoe macht wordt gebruikt. Het in de ware zin van het woord twijfelachtige aan de Pruisische deugden is dat zij daarover het zwijgen toe doen. Het gaat om secundaire deugden, wat betekent: de bereidheid tot presteren zegt niet waarvoor ze wordt ingezet, en de plichtsbetrachting niet wie ze dient. Wat dat wil zeggen beschreef Sebastian Haffner: “Plichtsbetrachting was in Pruisen het eerste en opperste gebod en tegelijkertijd de hele legitimatieleer: wie zijn plicht deed, zondigde niet, wat hij ook deed. Een tweede gebod bepaalde dat men liever niet kleinzerig moest zijn, en een derde, zwakker al, dat men zich tegenover de medemens - misschien niet echt goed, dat zou overdreven zijn, maar dan toch fatsoenlijk moest gedragen. De plicht jegens de staat kwam op de eerste plaats. Met deze plaatsvervangende godsdienst viel best te leven, viel zelfs behoorlijk en fatsoenlijk te leven - zolang de staat die men diende behoorlijk en fatsoenlijk bleef. De grenzen en gevaren van de verplichte godsdienst in Pruisen zijn pas onder Hitler aan het licht gekomen.”

Maar toen was het natuurlijk te laat. Afgezien van schitterende uitzonderingen maakte een generaties lang volgehouden plichtsbetrachting hulpeloos en ongeschikt voor verzet toen de staat eenmaal niet meer fatsoenlijk maar door misdadigers werd geregeerd. Of mogelijk nog erger: de plichtsbetrachting als plaatsvervangende religie heeft de misdaad gepantserd met een goed geweten. Want zelfs diegenen die de moordmachine van de holocaust bedienden konden volhouden slechts bevelen te hebben opgevolgd en dus hun werk, hun plicht te hebben gedaan. En dat hèbben ze volgehouden.

Maar nu over het heden, dat de toekomst in zich bergt. Men kan van het Duitse heden twee geheel verschillende, zelfs radicaal tegengestelde beelden schilderen.

Iedereen herinnert zich waarschijnlijk nog de bewegende beelden van 9 november 1989, toen letterlijk in het holst van de nacht de Berlijnse Muur viel: jubel, vreugdetranen, vreemden die elkaar in de armen vielen ... Die nacht riep de regerende burgemeester van Berlijn het Duitse volk uit tot het gelukkigste ter wereld, en dat was het waarschijnlijk ook.

Wat daar gebeurde was de consequentie van de gestaag aanzwellende demonstraties die de voorgaande weken in de DDR waren gehouden. Die waren niet mogelijk geweest zonder de man in Moskou, Michail Gorbatsjov, zonder het voorbeeld van de Polen of het besluit van de Hongaren, hun grenzen te openen. Er was echter nog iets eigens, iets beslissends: mensen waren opgestaan en met rechte rug gaan lopen; ze hadden de onderdaan in zichzelf afgeschud en burgerlijke moed bewezen. Want in de kritieke dagen van oktober kon nog niemand weten of de staat niet met een 'Chinese' oplossing, met geweld en bloedige onderdrukking, zou antwoorden. Dat was voorbereid, en tot de dag van vandaag is niet helemaal duidelijk waarom het uitbleef. Uiteindelijk hebben de Duitsers een perfect georganiseerde autoritaire bewakersstaat ten val gebracht en zijn zelfbenoemde voogden verjaagd.

Nooit eerder was zoiets gelukt; steeds bleef de Duitse geschiedenis van de vrijheid die van haar nederlagen. De burgerlijke revolutie van 1848 mislukte. Bismarcks stichting van het rijk werd de triomf van de oude, militair slagvaardige autoritaire staat die aldus een duurzame en uiteindelijk fatale opwaardering onderging. Mislukt is de republiek van Weimar, net als in 1944 de poging, de geweldsheerschappij ten val te brengen. Na 1945 was de democratie een geschenk van de overwinnaars, en de Bondsrepubliek koos met de gedachte aan de Oostduitse volksopstand van 1953 wederom een nederlaag van de vrijheid als feestdag.

Nu echter, eindelijk, toch een succes! Hoe doorslaggevend de toedracht is, tonen vergelijkingen. Bijna overal behoort bij het zelfbeeld en het zelfbewustzijn van Westelijke democratieën de herinnering aan de oorsprong die de verheffing haar naam geeft - om niet te spreken van de stichtingsmythe van de op eigen kracht bevochten vrijheid. Men kan denken aan de Tell- en Winkelried-sage van de Zwitsers, aan de Glorieuze Revolutie in Engeland en de Grote Revolutie in Frankrijk, aan de Onafhankelijkheidsverklaring en de Onafhankelijkheidsoorlog van de VS. En, natuurlijk, aan de vrijheidsstrijd van de Nederlanden tegen Habsburg-Spanje.

Een andere vergelijking: elke jonge mens, elke nieuwe generatie moet zich eens losrukken van de vaderlijke voogdij en de moederlijke zorgen en op eigen benen gaan staan om zowel uiterlijk als innerlijk mondig te worden. Dat geldt ook voor volkeren. Om als natie mondig te worden, moet men éénmaal een koning hebben onthoofd of hem als tiran hebben verjaagd, moet men de overheid van Gods of eigen genade de gehoorzaamheid hebben opgezegd en de vreemde heerschappij hebben afgeschud. Of, zoals Immanuel Kant laconiek de vraag beantwoordde wat Verlichting betekent: 'Dat is de verlossing van de mens uit de onmondigheid waaraan hij zelf schuldig is'.

Welke betekenis de oorsprong heeft in de zelfbevochten vrijheid wordt vooral duidelijk in tijden van crisis en gevaar. In 1940, na de Duitse overwinning op Frankrijk, toen het lot van Zwitserland aan een zijden draadje leek te hangen, riep de Zwitserse bevelhebber, generaal Guisan, zijn legercommandanten bijeen op de Rütli, om hier, op deze geheiligde plek, samen plechtig te beloven in het geval van een Duitse inval niet te capituleren maar de Alpenvesting onvoorwaardelijk te verdedigen. Dat bleek een gebeurtenis met hoge symbolische waarde: geen officier en geen soldaat en ook geen burger in Zwitserland moest nog worden verteld wat hier werd bedoeld.

Toen ik dit verhaal in een gezelschap van jonge officieren van de Bundeswehr vertelde, rees de vraag waar in een vergelijkbare situatie Duitse generaals bijeen zouden moeten komen. Iemand zei: in het Teutoburger Wald, waar eens de Cheruskenvorst Arminius Romeinse legioenen vernietigde. Hoongelach was de reactie - terecht, want uit de Germaanse oerbossen voert geen herkenbare weg naar de moderne gemeenschap. Na lang nadenken zei een andere officier: aan de tombe van Frederik de Grote. Maar los van het probleem hoe de Saksen, Beiers of Rijnlanders zich gemotiveerd zouden moeten voelen door een Pruisenkoning, er kwam geen duidelijk antwoord, op de vraag waar die tombe zich bevindt. Misschien toont het contrast van deze beide verhalen beter dan oeverloze uiteenzettingen waarin het stevige zelfbewustzijn van een natie is gegrondvest en waar de onzekerheid huist.

Er is nog een verhaal, dat ik uit vragen en gesprekken heb samengesteld: kennelijk kan vrijwel geen Nederlander die zich de Tweede Wereldoorlog nog herinnert, nog zeggen wie eigenlijk de mannen waren die in 1940 de regering in Londen vormden - begrijpelijk genoeg. Een regering die nog maar weinig te regeren heeft maakt weinig indruk. Maar iedereen herinnert zich nog de radiotoespraken van de koningin. Want de koningin belichaamde het Huis van Oranje - en het Huis van Oranje de oorsprong van de natie in haar aanvankelijk vrijwel uitzichtloze strijd tegen een oppermachtige vijand. En zo werd een vrouw, Wilhelmina genaamd, symbool van de hoop op de terugkeer van de vrijheid.

In Duitsland is in 1989 gelukt wat tevoren altijd was mislukt; in zelfbevochten vrijheid is de tweede Duitse nationale staat ontstaan. Wat een contrast met de stichting van Bismarcks rijk en wat een kans voor de toekomst - ook en niet in het laatst voor goed nabuurschap!

Nog een schets. Slechts vier jaar ligt het gejuich van de negende november achter ons, maar nu al lijken de gebeurtenissen van de herfst van 1989 zo ver weg dat ze op een droom lijken of op iets waarvan sprookjes verhalen: Er was eens ... Men zou bijna vermoeden dat daar bewust nog steeds de onderdaan aan het werk is die wil verdringen wat hij gedaan heeft, uit angst voor de straf die elke opstand tegen de overheid uitlokt. De stemming is in elk geval omgeslagen in het tegendeel, in aanklachten, beschuldigingen, depressies, en deze versombering reikt ver uit boven wat kan worden verklaard uit de huidige economische moeilijkheden. Waaraan ligt dat?

Hier mijn op het eerste gezicht waarschijnlijk vreemd lijkende hypothese: we hebben ons vijandbeeld verloren, of, zoals minister van buitenlandse zaken Kinkel sarcastisch zei: “We zijn door vrienden omsingeld.” Een vijandbeeld vormt de krukken van een beschadigd, onzeker zelfbewustzijn: zijn angsten bedenken de vijand, omdat het zich daarmee althans negatief betekenis verschaft, in de strijd tegen het Kwaad en wellicht in de overwinning.

In deze zin heeft in de jaren twintig de staatsrechtgeleerde Carl Schmidt het begrip van de politiek simpelweg als vriend-vijand-verhouding gedefinieerd. Belangrijk is verder het zondebok-mechanisme. De vijand hoeft niet reëel zijn, hij kan een uitvinding zijn van de waan, een projectie van de zelfhaat. En hij hoeft niet sterk te zijn, integendeel zelfs: met zijn zwakheid en inferioriteit kan men de eigen kracht en superioriteit bewijzen, als men zichzelf maar wijsmaakt dat hij zeer machtig is.

Er is veel tijd nodig om de toedracht historisch aanschouwelijk te maken; ik beperkt me tot enkele kernbegrippen. In het Keizerrijk had men enerzijds de 'erfvijand' Frankrijk, waarover werd getriomfeerd op Sedandag, de enige populaire nationale feestdag die Duitsland ooit had. Aan de andere kant dook als nieuwe vijand het de zee beheersende Brittannië op, dat de droom van de wereldmacht in de weg stond en waartegen men zich met Wilhelms slagschepenbouw bewapende. Er was ook een binnenlandse vijand, het spook van een 'rood gevaar' of, zoals men het noemde, de 'vaderlandsloze gezellen' van de arbeidersbeweging.

De Republiek van Weimar leek een meerderheid van de Duitsers al snel on-Duits en verachtelijk omdat ze niet in staat bleek te zijn een ondubbelzinnig vijandbeeld te ontwikkelen. Hitler daarentegen is als fataal genie van de schepping van vijandbeelden uitgegroeid tot verlossende Führer. Met ontstellende consequentie heeft hij tegelijkertijd het archetype, het oerbeeld van de vijand ontworpen: 'de' jood.

'Bonn is Weimar niet', zo luidde in de jaren vijftig een boektitel, die een begrip werd. Inderdaad: de democratie van Bonn heeft het beter getroffen dan de Republiek van Weimar. Maar ze was een kind van de Koude Oorlog; ze bezat evengoed een duidelijk angst- en vijandbeeld, naar het Oosten gericht. In het teken van dat vijandbeeld boekte Konrad Adenauer stralende verkiezingsoverwinningen, uit dat beeld kon hij de Bondsrepubliek in het Westen inbedden en werken aan zijn hartewens, de verzoening met Frankrijk, dat men als vermeende 'erfvijand' nu niet meer nodig had. De andere kant uit bezat de DDR als legitimering van haar bestaan ook niets dan haar naar het Westen gerichte vijandbeeld waarmee begrippen als kapitalisme, fascisme en imperialisme werden gemarkeerd.

Met zo'n achter- en ondergrond wordt misschien begrijpelijk hoe ernstig het plotselinge verlies aan vijandbeelden is. Dat geldt voor conservatieven net zo goed als voor links. De conservatieven raakten het communisme en het Sovjetrijk kwijt, links de utopie die - hoe vervormd dan ook - in het 'reëel bestaande socialisme' toch op de een of andere manier voor een betere toekomst leek te zijn voorbestemd. Tot de utopie behoort echter altijd het vijandbeeld van diegenen die men moet bestrijden, overwinnen, vernietigen, omdat ze de weg naar de goede samenleving blokkeren.

Na een verloren oorlog, zo heet het, zouden blijspelen geschreven moeten worden; misschien zou men daarom over de Duitse verduistering minimaal grapjes moeten vertellen, zoals dit grapje, dat na de val van de Muur al snel in het Westen de ronde deed en waarmee men de vreemdeling liet zeggen wat men zelf nog nauwelijks durfde zeggen: In een warenhuis heeft zich voor een kassa een rij gevormd, en twee Oostduitsers morren omdat ze alweer en zelfs hier moeten wachten. Daarop draait zich in de rij een man om, een Turk, hij kijkt de klagers strak aan, steekt dreigend een vinger op en zegt: “Wij jullie niet geroepen.”

Maar met Duitsers maak je liever geen grapjes; men moet schuld toegeven en schuld toewijzen. Oostduitsers beschuldigen de 'betweters' en de 'roofridders' uit het Westen, Westduitsers doen hetzelfde met hun klagerige en aanmatigend om hulp bedelende landgenoten in het Oosten. Of een ander, wie dan ook, krijgt de schuld van alles: de bondskanselier en de regering, de partijen - Parteiverdrossenheit werd tot 'woord van het jaar' 1992 gekozen -, de grote bedrijven, de Treuhand die de failliete boedel van de DDR beheert, de Euro-burocraten in Brussel, de intellectuelen en schrijvers, de vreemdelingen, de asielzoekers... Voor zover frivoliteit nog is toegestaan doemt uit dit alles een curieus of grotesk, maar tevens schrikbarend beeld op. Omdat de logische vijandbeelden wegvielen peutert iedereen uit de puinhopen een reddend stuk los - alsof het om souvenirs van de Berlijnse Muur gaat - en gaat ermee aan de wandel: wie dat kan redt de vijand, ieder de zijne.

Overigens dient één ding nog te worden bedacht: vijandbeelden werken aanstekelijk, hoewel zelden in de gewenste richting. Wie tot vijand uitroept wekt vijandschap; in het klimaat van schuldigverklaringen, begrenzing en belastering gedijen angst en een haat, die, eenmaal gezaaid, storm oogst. En dan maakt het niets uit dat men bezweert dat de eigen vijandbeelden natuurlijk de juiste zijn en dat ze intellectueel hoogstaand en eerbaar zijn. Om het absoluut duidelijk te zeggen: wie vijandbeelden uitdenkt en koestert, welke dan ook, is in elk geval medeschuldig aan het opkomen van een rechts radicalisme en aan de brandfakkels die jonge neo-nazi's naar weerloze mensen slingeren.

Ten slotte zijn veel vragen te stellen. De ene is wat doorzet, een nieuw, goed onderbouwd zelfbewustzijn dat de democratie kan stutten, of die oude ingekankerde onzekerheid, waarin de honger naar vijandschap steeds al op de loer ligt. Mijn antwoord luidt: ik weet het niet; wie zekerheid wil, moet naar de waarzegger gaan. De toekomst blijft open, en dat is waarschijnlijk het beste aan haar. Want daarmee daagt ze uit tot verantwoordelijkheid. En als we al in tijden leven waarin optimisme niets anders is dan een vorm van plichtverzaking geldt dat niet minder voor het versagen.

Een andere vraag is wat buren zoals de Nederlanders eigenlijk kunnen doen om de ontwikkeling te beïnvloeden.

Het is om te beginnen belangrijk de ontwikkeling naar een Europese Unie verder voort te zetten, om de nieuwe Duitse nationale staat zo goed mogelijk te integreren. Het kan misschien een bijzondere Nederlandse opgave zijn daarvan de aarzelaars te overtuigen, door bijvoorbeeld hun Britse vrienden dienovereenkomstig te souffleren. Het is nu eenmaal zo dat het onontkoombare nabuurschap door de aard van zijn logica slechts twee mogelijkheden toelaat. Of er ontstaan positieve partnersystemen, òf het nabuurschap slaat ooit om in een vervreemding die zichzelf steeds meer vergiftigt en dan leidt tot pogingen van de sterkere om de zwakkere te domineren. Deze poging heeft Duitsland in de eerste helft van onze eeuw ondernomen, tot onheil van zichzelf en zijn buren. Men moet echter niet vergeten dat de geschiedenis in Midden-Europa sinds lang partnersystemen kent. Ze waren er, steeds als pogingen om vrede te stichten na lange en rampzalige oorlogsperioden, in het systeem van de Vrede van Westfalen na 1648, na het Weens Congres van 1815 en dan opnieuw, hoewel in een tweedeling, na 1945.

Mijn tweede advies zou zijn, de praktijk van het 'alsof' te ontwikkelen - alsof het heel vanzelfsprekend zou zijn dat het Europese nabuurschap zich met de sinds 1989 geschapen verhoudingen verder naar het Oosten uitbreidt. Veel jaren geleden al, lang voordat er kon worden gedacht aan de Duitse hereniging, zei me een Nederlander: “Jullie [de Duitsers] klagen er altijd over dat als resultaat van de Tweede Wereldoorlog de grenzen van het Oosten aan de Elbe en de Werra zijn komen te liggen. Wij daarentegen zijn er blij mee dat de grens van West-Europa een paar honderd kilometer verder is gelegd: van Aken naar Helmstedt.”

Nu, denk ik, moet men doen alsof deze grens al - nee, niet slechts tot aan de Oder en Neisse, maar tot aan de Boeg is verschoven. Aan de hartstochtelijke bereidheid van de Tsjechen en de Polen zich naar het Westen toe te keren zal het sowieso niet ontbreken. Duitsland echter zal er niet onderuit kunnen zich in de toekomst opnieuw en duidelijker dan tot dusverre naar het Oosten te keren. Alleen al uit de economische zwakte die het daar aantreft zou de verleiding kunnen voortkomen zijn kracht te bewijzen. Des te belangrijker zal het zijn dat - net als in de beroemde wedloop tussen de haas en de egel - de Duitse haas, als die ademloos in Praag en Warschau aankomt, daar op de Europese egel stuit, die hem rustig zegt: “Ik ben er al.”

Om niet verkeerd te worden begrepen: met zulke adviezen wil ik niet verhullen dat wij Duitsers het beslissende voor onze toekomst zelf moeten doen. En daarvoor schiet me nog altijd niets beters te binnen dan dat wat in 1969 Gustav Heinemann heeft gezegd in de toespraak bij zijn installatie als bondspresident: “Er zijn moeilijke vaderlanden. Een daarvan is Duitsland. Maar het is ons vaderland. Hier leven en werken we. Daarom willen we onze bijdrage aan de mensheid met en door dit land leveren.”