Alles voor de revolutie

HANS OLINK 208 blz., geïll., Nijgh & Van Ditmar 1993, ƒ 39,90

Op zoek naar George Fles: Het einde van een Hollandse revolutionair in de Sovjetunie THIJS BERMAN 192 blz., geïll., Van Gennep 1993, ƒ 34,50

In 1987 zond de VPRO een documentaire uit over Dirk Schermerhorn, de in Stalins Rusland zoekgeraakte broer van de voormalige Nederlandse minister-president. Cherry Duyns, de maker, had de kinderen van de vermiste in Rusland opgespoord, maar het kostte hun in deze prille dagen van de perestrojka nog veel moeite de Westerse camera onbekommerd tegemoet te treden. Wat er met Schermerhorn was gebeurd, werd niet volledig opgehelderd. Wel was er een filmopname gevonden van de opening van een Moskouse metrolijn. De man die het startsein gaf, veronderstelde men, was Schermerhorn, en in de documentaire werd vertraagd op hem ingezoomd.

Was het wel Dirk Schermerhorn? Uit De vermoorde droom van Hans Olink blijkt nu zes jaar later dat de metro hem juist noodlottig is geworden. Als voorzitter van een regeringscommissie had hij in de zomer van 1936 een vernietigend oordeel gegeven over de kwaliteit van de betrokken lijn. Zijn chef Kaganovitsj, Stalins rechterhand, dwong toen een minder principiële plaatsvervanger een handtekening te zetten, zodat de lijn toch kon worden opengesteld.

Een halfjaar later deed Kaganovitsj op een vergadering van het Centraal Comité verslag van de zuiveringen in zijn volkscommissariaat van verbindingen. Er waren enkele duizenden 'saboteurs' ontmaskerd en van hen noemde hij Dirk Schermerhorn bij naam. Stalin had volgens Kaganovitsj meer dan eens gezegd dat hij 'een slecht mens, een vijand' was, die in de gaten moest worden gehouden. Schermerhorn was al in oktober 1936 gearresteerd en werd ruim een jaar daarna als 'saboteur' en 'spion' ter dood veroordeeld en terechtgesteld.

Olinks andere idealisten zijn Sebald Rutgers, in 1918 door Lenins regering benoemd tot hoofdingenieur van de Russische waterwegen en later stichter van een industriële onderneming in Siberië; en de architect Thijs Wiessing, zoon van de hoofdredacteur van De Nieuwe Amsterdammer. Ook Thijs Bermans boek Op zoek naar George Fles gaat over een Nederlander die uit idealisme naar de communistische heilstaat trok.

Beide boeken zijn met veel gevoel voor de geportretteerden geschreven, zonder dat de auteurs ook maar enigszins de verschrikkingen verdoezelen waartoe hun idealisme heeft bijgedragen. Alle twee hebben zij bewonderenswaardig speurwerk verricht. Precies op het goede moment hebben zij de overlevende getuigen gesproken, die voordien - voor de val van het communisme - hun verhaal niet durfden of wilden vertellen. Precies op het goede moment ook kregen zij toegang tot de gewezen Sovjet-archieven, waar eerder geen pottekijkers werden toegelaten.

Wel heel erg op het nippertje was Thijs Berman in het KGB-archief van de Georgische hoofdstad Tbilisi. Daar vond hij in de lente van 1991 het dossier van zijn oudoom George Fles, die er in 1936 gevangen was gezet. Kopieergelegenheid ontbrak en hij liet zijn Russische secretaris het belangrijkste op zijn cassetterecorder inspreken. In het jaar daarop kwam hij, gewapend met een draagbaar kopieerapparaat, duizend vel blanco papier en een voorraad toner, terug om de klus af te maken, maar het archief bleek tijdens de burgeroorlog die in Georgië volgde op de val van het communisme, in vlammen te zijn opgegaan.

Pionier

Rutgers, Schermerhorn, Wiessing en Fles wilden in Rusland het arbeidersparadijs helpen opbouwen. Rutgers, de pionier, vertegenwoordigde de Nederlandse geestverwanten bij de oprichting van de Communistische Internationale (Komintern) in maart 1919 in Moskou en ontmoette Lenin enkele malen. Toen zijn vrouw Bartha en hij naar Nederland terugreisden, namen zij een groot bedrag in geld en sieraden (volgens geruchten afkomstig van de vermoorde tsarenfamilie) mee om ook in het Westen de zaak van de revolutie vooruit te helpen. In een overzicht van betalingen door de Komintern uit deze periode dat wordt bewaard in het voormalige partij-archief maar door Olink niet wordt genoemd, heb ik zelf kunnen vaststellen dat aan Rutgers in september 1919 voor zijn reis naar Nederland inderdaad voor miljoenen roebels in sieraden en geld is toegewezen.

In de jaren twintig zette hij met een groep Nederlanders en Amerikanen in de steenkolenmijn en cokesfabriek van Kemerovo in Siberië de kolonie Koezbass op. Na aanvankelijk succes raakte hij in de clinch met de Russische bureaucratie - hij hanteerde een Westerse standaard van bedrijfsvoering - en keerde terug naar Nederland. Ondanks deze en ergere ervaringen (zijn eigen zoon verdween net als Schermerhorn spoorloos onder Stalin) is hij tot zijn laatste snik een trouw propagandist van de Moskou-lijn gebleven. 'Zonder strafkampen kun je geen ideaal realiseren,'' beet hij in Nederland zijn andere zoon toe toen die zijn eigen gedachten kreeg.

In het ideaal zat ook iets pervers. Schermerhorn was een van de talloze slachtoffers van de verwording. Hij begon als gelovig communist in Rutgers' kolonie, bracht het daarna tot adjunct-directeur-generaal van de spoorwegen in de Sovjet-Unie, en werd ten slotte om zijn hoge kwaliteitsnormen, die naar het oordeel van zijn meerderen strijdig waren met de partijdiscipline, gearresteerd en terechtgesteld. Niemand uit zijn omgeving durfde te reageren op zijn verdwijning. Zijn vrouw hield voor de buitenwereld vol dat er niets aan de hand was. Daarna verdween zij zelf in een kamp, waar zij vele jaren later nog steeds als overtuigd staliniste uit terugkeerde. De slachtoffers hadden weinig verweer tegen hun beulen, want zij waren het op wezenlijke punten met hen eens.

Wiessing wilde aan de socialistische woningbouw meewerken maar kwam ook in aanraking met de nare kant van de vooruitgang. Hij maakte zijn eigen afweging. Hij zat relatief kort gevangen en merkte dat zelf later aan als een 'vergissing'. De vernietiging van miljoenen mensenlevens in dienst van het 'algemeen belang' noemde hij 'onaangenaam' maar 'van ondergeschikt belang'. Bijna al Wiessings bekenden met wie Olink sprak verdachten hem van contacten met de Russische geheime dienst. Bewezen is dat Willem Reesema, centrale figuur van de Nederlandse communistische kolonie in Moskou, zulke contacten had. Van alle Nederlanders hield hij dossiers bij, en verdachte figuren als Schermerhorn en zijn vrouw gaf hij aan bij de leiding van de Komintern of de geheime dienst. Olink vond de denunciaties in de Moskouse archieven.

Sterrenwacht

George Fles was niet zo prominent. Hij werkte als vertaler en belandde in een sterrenwacht in een uithoek van Georgië. Hoewel hij een gelovig communist was - een 'koosjerist' werd hij wel genoemd - vonden de 'organen' van staatsveiligheid dat hij verkeerde vrienden had. Bedenkelijker nog was de firma Control & Co., een internationaal net van graanmakelaars waar twee ooms van hem voor werkten en waarvan in 1934 de Moskouse vestiging was opgerold. Maar het verdachtst vonden zij wel dat hij niet de geboden gelegenheid had gegrepen om tijdig uit het arbeidersparadijs weg te komen.

Het enige concrete bewijs tegen hem was een tijdschrift dat hem per post door zijn vader uit Nederland was toegestuurd, met een artikel van Trotski; erger nog, hij had het ook uitgeleend. Maandenlang zat hij gevangen, werd toen overgebracht naar Moskou en door de 'trojka' veroordeeld tot vijf jaar. Hij stierf in mei 1939 in de gevangenis van Smolensk, bijna drie jaar na zijn arrestatie. In een briefje dat hij de gevangenis uit had weten te smokkelen had hij zijn vrouw geschreven dat hij 'de lange donkere nacht' niet zou overleven. Zij droeg het tientallen jaren lang bij zich, tot het kort voor haar dood bij een tasjesroof in Amerika werd gestolen. Er restte slechts hun kort na Georges arrestatie geboren zoon, die overigens wonderlijk genoeg in Bermans verhaal slechts terloops voorkomt.

Bermans boek is, en daarin verschilt het van dat van Olink, ook een persoonlijke familiegeschiedenis. Tijdens de tweeëneenhalf jaar die hij als correspondent in Moskou zat, kwam hij op het idee eens naar die oom op zoek te gaan over wie in de familie zo geheimzinnig werd gedaan. Want de kinderen Berman kregen van de ouderen wel te horen over de (joodse) familieleden die door de nazi's waren weggehaald, maar dat ook het communisme zijn tol had geëist bleef in dit linkse nest verzwegen. Tot in de jaren tachtig werd de CPN aangehangen. De zoektocht van de neef naar zijn oom bracht ook hier een 'Wende' te weeg.

Wat is er over van het idealisme waarmee mensen als Dirk Schermerhorn of George Fles naar Rusland trokken? Bij hun daar achtergebleven kinderen alleen frustratie. Vijfentwintig verloren jaren, noemt de schoondochter van Rutgers haar tijd in de Sovjet-Unie. Rutgers' dochter heeft dat land na vijftig jaar gedesillusioneerd de rug toegekeerd. Schermerhorns zoon Timofej vraagt zich vertwijfeld af waarom zijn vader in hemelsnaam ooit Sovjet-staatsburger is geworden. De ontgoocheling van Thijs Berman, na Moskou veilig teruggekeerd op de thuisbasis, is van heel andere aard. Ondanks zijn late inzicht in de verwording van het ideaal blijft hij zijn oom bewonderen om zijn enthousiasme en voelt hij het ontbreken van idealisme in de wereld van vandaag als een gemis. In Rusland is de droom vermoord; het is mooi dat Berman en Olink de nagedachtenis in ere houden.