Zeist; 'In uur 900 honden uitlaten wordt chaos'

ZEIST, 10 DEC. Een hond die kwispelt, is vrolijk, maar is hij dan ook tevreden? De gedragskundigen zijn er nog niet uit, maar nu ook de hond steeds meer onderhevig raakt aan regelgeving rijst de behoefte aan een antwoord. Onlangs deed de Raad van State uitspraak in een meningsverschil tussen de gemeente Zeist en Harlan Centraal Proefdieren Bedrijf over de uitlaattijden van de honderden beagles die het bedrijf fokt. Te veel geblaf verstoort de rust in het bos, zo meent de gemeente.

Het Zeister proefdierbedrijf werd veertig jaar geleden door TNO opgericht en begin jaren tachtig, na heftige discussies, verkocht aan de Amerikaanse commerciële fokker Harlan. “TNO had het bedrijf ver buiten de bebouwde kom gevestigd om geen overlast te veroorzaken', zegt Harlan-directeur R. Heynert. 'Toen was het hier een vlakte met hier en daar een boom. Nu is het een schitterend bos, maar wij waren hier eerder, verdikkie.”

De gemeente wijst er op dat met de overname door Harlan de opzet van het bedrijf veranderde, waardoor een nieuwe hinderwetvergunning noodzakelijk werd. In het overleg daarover repte Harlan aanvankelijk niet over de noodzaak van 'buitenactiviteiten', verklaart F. Kuiper, medewerker van de gemeentelijke afdeling milieu en landschap. Pas na een bezwaarschrift van Harlan bleek dat de honden als vanouds ook in de buitenlucht zouden vertoeven.

Op voorstel van het proefdierbedrijf kwam er een uitlaatvergunning van een uur per dag, aldus Kuiper. “Wie schetste onze verbazing toen Harlan in beroep ging bij de Raad van State en acht uur per dag vroeg. Ze hadden alle gelegenheid gehad om te zeggen wat ze wilden. Als gemeente ga je niet iets verlenen dat niet gevraagd wordt.”

Kuiper geeft toe dat er geen klachten van omwonenden zijn, maar dat het proefdierbedrijf eenvoudig moet voldoen aan de lawaainormen die voor een recreatiegebied gelden.

De Raad van State oordeelde eind vorige maand dat twee uitlaaturen per dag vooralsnog voldoende zijn in afwachting van behandeling van de kwestie in een bodemprocedure. Heynert wil niet uitwijden over de voorgeschiedenis (“Ik zou 26 zaterdagedities kunnen vullen met welles-of-nietes-discussies. Kennelijk is er een foutje in de communicatie met de gemeente geslopen”), maar hij blijft er bij dat twee uur te weinig is. Acht uur is noodzakelijk om de beagles te laten opgroeien tot gezonde proefdieren.

“Het klinkt een beetje tegenstrijdig, maar een proefdier moet zich lekker voelen”, aldus Heynert. “Je probeert die dieren zo veel mogelijk sociale features mee te geven om overeind te blijven. We hebben een socialisatieprogramma waarbij mensen alleen maar bezig zijn om te kijken hoe de honden reageren. Ze moeten bijvoorbeeld aan verschillende kleuren wennen, niet schrikken van een witte jas. Stel dat zo'n hond na twee jaar voor het eerst buiten komt, dan schrikt-ie zich kapot.”

Heynert erkent dat de relatie tussen het aantal uitlaaturen en het welzijn van de hond arbitrair is en dat er vooral ook praktische bezwaren bestaan. “Als we negenhonderd honden in één uur buiten moeten laten, krijgen we chaos. Overigens is er geen hond die twee uur achter elkaar blaft.”

Bij de veterinaire vakgroep gezelschapsdieren van de Utrechtse universiteit is het uitgaansleven van de proefdieren strikt geregeld. Student-vrijwilligers laten de honden 's middags uit en in de kliniek kunnen de dieren twee uur per dag in het buitenhok. “Ik weet niet of er heel diep is nagedacht over die twee uur”, zegt dierenarts dr. B.W. Knol. “Ik denk dat dat vooral uit bedrijfseconomische overwegingen is gebeurd.”

Knol begeleidt sinds drie jaar gedragswetenschappelijk onderzoek naar het welzijn van honden. “Ik denk dat er op het punt van de uitlooptijden heel weinig objectieve informatie is te geven. Honden zijn dieren die hun kostje in principe moeten opscharrelen; ze hebben een intrinsieke behoefte om veel te bewegen. Met een uur uitlooptijd zit je dan erg aan de krappe kant, maar acht uur lijkt mij niet nodig.”

Volgens Knol bevindt het onderzoek zich “in een soort mijnenveld. We willen weten of de manier waarop mensen huisdieren onderhouden overeenstemt met de wensen van de honden. Maar we moeten eerst normen ontwikkelen voor wat een hond wil. We zoeken nu naar fysiologische parameters voor stress, bijvoorbeeld aan de hand van het cortisol-niveau in het bloed. Je zou dan kunnen vaststellen dat een hond in bepaalde omstandigheden in stress raakt. Maar eerlijk gezegd denk ik dat het grote punt is hoe we welzijn definieren.”