Wherever I lay my hat

Het intro is al meteen van het verpletterende soort opgewektheid dat je associeert met mensen die beweren dat zij ('echt!') elke morgen lachend uit een droomloze slaap wakker worden, fluitend onder de douche stappen, zich fluitend aankleden en vervolgens fluitend op de dag aanvallen als betrof het een voedzame maaltijd na een pittige boswandeling. Mocht er zich, zoals zij dat noemen, 'iets onplezierigs' op hun pad voordoen, een buurman die in elkaar gerost wordt, een levenspartner die de benen neemt: hé, geen probleem, je bolt je wangen, tuit je lippen en fluit.

Het zit 'm in dat robuuste geschetter der schuiftrompetten, die hun verleden als vooraanstaand lid van zowel fanfare als begrafenisband nooit helemaal achter zich zullen kunnen laten, ook al wordt er door een onverbiddelijk vingerknippende Motown-beat op aan gedrongen om het vooral kort te houden. Nog niet kort genoeg, vindt de zanger, want al bij het tweede rondje koperen noten mengt hij zich in hun koor met een zelfverzekerd, bijna hooghartig beschaafd 'yeah', 'yeah', en nog eens 'yeah'. Cool, nonchalant, stijlvol als een jonge zwarte Sinatra: Marvin Gaye anno 1963, lang voordat de demonen - in de vorm van Onvoorstelbare Angstaanvallen, Onvoorspelbare Driftbuien en Onverzadigbare Seksuele Noden - als verveelde jochies met een zakmes landje-pik op zijn ziel waren gaan spelen. Obsessies, depressies, paranoia; Marvin Gaye schreef het boek, en zijn eigen vader sloeg het op 1 april 1984 uit noodweer met een klap dicht.

Maar eens kon niets hem raken, behalve dan dat verduiveld knappe gezicht dat hem altijd vanuit de spiegel toelachte, als een zwarte narcis die elke vrouw die eraan rook bedwelmde. Neem háár bijvoorbeeld: vijf nachten heeft hij alles bij elkaar met haar doorgebracht, maar als hij haar nu bij het afscheid zegt dat hij nog wel zal bellen, begint ze moeilijk te doen. By the look in your eye I can tell you're gonna cry, is it over me? If it is: save your tears, for I'm not worth it you see. For I'm the kind of guy who is always on the roam: Wherever I Lay My Hat, That's My Home. En de schaamteloze manier waarop de blazers, als was het een carnavalskraker, bij 'That's' het triomfantelijke in de stem van Gaye benadrukken, is pijnlijk. Je zou zweren dat ze 'hahaha háháhá' bliezen, ook tijdens het volgende couplet, waarin het mes nog eens flink wordt omgedraaid. Je had toch een verloofde? You had a romance, did you break it by chance, over me? If you did, I'd like you to know that I'm not worth it, you see. Want nogmaals, of je het nou leuk vindt of niet: I'm the type of guy who is always on the roam. Wherever I lay my hat, that's my home.

De rol van Gaye is die van een zwarte Casanova, alleen geïnteresseerd in de verovering, en met een witte schaduw: een gekuifde Engelsman die op een platte manier knap is, met net iets te regelmatige trekken en knuffelwangen die bij vermoeidheid of overgewicht snel gaan hangen. Je moeder zou hem enig vinden en hij heeft een prachtige stem met precies dat Jordanese, in de keel geknepene dat ook André Hazes tot een blauwogige soulzanger maakt. Hij heet Paul Young en beleeft nu een comeback met het nummer 'Now I Know What Made Otis Blue'. En dat was precies What Made Marvin Gay.

Waar Gaye tapdansend als Fred Astaire in rokkostuum en hoge hoed zijn kortstondige relaties in- en uitwervelt, vertolkt Young in zijn hitversie van 'Wherever I Lay My Hat' uit 1982 de rol van Don Juan als een stervende zwaan. Marvin's macho bravado wordt al bij voorbaat onderuit gehaald door de glibberige tonen van de fretloze bas waarop Paul melancholiek neuriënd het lied binnen komt glijden. Zijn woorden zijn dezelfde als die van Gaye, maar door het veel tragere, bijna trekkerige tempo krijgen ze iets tragisch in plaats van trots. Toe, je gaat toch niet huilen, hè? Je hebt toch niet voor mij je verloving verbroken? Ik ben het niet waard. En in de door Gaye bijna geïrriteerd ongeduldig gezongen brug, klinkt Young eerder gekweld: You keep telling me that I'm your man / What do I have to do to make you understand / I'm the kind of guy that gives the girls the eye, everybody knows / I love'em and I leave'em, break their hearts and deceive'em, everywhere I go. Het is een ziekte, Casanova's Curse: komen, zien en veroveren en snel wegwezen, net zolang tot ik alle vrouwen gehad heb en dan kan ik weer van voren af aan beginnen. De onmacht en wanhoop die Young hier vertolkt worden alleen nog maar versterkt door het feit dat zijn licht hese, jongensachtige soulstem omlijst wordt door muziek uit blik. De metronomisch bubbelende percussie, het claxonerende orgel, het strijkkwartet van mechanische aapjes - allemaal gegarandeerd honderd procent synthetisch en krimpvrij - rekken de spleen op tot hij bijna scheurt.

Waar Marvin Gaye, na met een onuitstaanbaar goedgemutst la la la laloe nog een laatste keer een lange neus gemaakt te hebben naar het bewonderend oe en aah zingende dameskoor, al na honderddertig seconden zijn sortie gevonden heeft, blijft Paul Young na de laatste regel tekst nog minutenlang wat daas voor zich uitzingend op het podium staan dralen. Nu eens hangend aan de microfoonstandaard als een oude jas aan een kapstok, dan weer met het smokingdasje los en een imaginair glas champagne in de hand balancerend langs de rand van het toneel, dansend met zichzelf. Dat is, tegenover de hartenbrekende cool van Gaye, de ándere kant van het Sinatra Syndroom: de voice in de wee wee hours, die, ook al is het publiek allang naar huis, maar dóór blijft zingen, om tenminste nog even het gezelschap te hebben van zijn eigen echo.