W.F. Hermans op een meisjesslaapzaal; Het wel en wee van het tijdschrift Podium

P. Calis: Speeltuin van de titaantjes. Schrijvers en tijdschriften tussen 1945 en 1948. Uitg. Meulenhoff, 420 blz. ƒ 49,50.

Vier jaar geleden promoveerde Piet Calis op het proefschrift Het ondergronds verwachten: schrijvers en tijdschriften tussen 1941 en 1945. Hij beschreef daarin niet alleen wat er in een aantal clandestiene literaire tijdschriften stond, maar reconstrueerde ook de gang van zaken rond de oprichting en verspreiding, waarbij hij een gelukkig gebruik maakte van de mogelijkheden die 'oral history' hem bood. Een van de besproken tijdschriften was het prille Podium, en dat tijdschrift vormt de kern van het vervolg op zijn proefschrift dat Calis nu presenteert. Weliswaar komen nog twee andere literaire blaadjes (Columbus en Proloog) aan bod, maar alleen omdat ze beide uiteindelijk door Podium worden opgeslokt.

Opnieuw gaat het zowel om de inhoud van de tijdschriften als het wel en wee eromheen: het zoeken naar uitgevers, het gehakketak binnen de redactie, het voortdurend aftasten van fusiemogelijkheden om van twee of drie noodlijdende blaadjes een bloeiend tijdschrift te maken.

Calis' oog is vooral gericht op tekenen van vernieuwing, aankondigingen van de revolutie van vijftig. Dat is een wat moeizame bezigheid, omdat Podium pas omstreeks 1950 werkelijk het platform voor de experimentele dichters en de moderne prozaschrijvers wordt. In de periode waar het hier om gaat - 1945 tot 1948 - vindt men de echt vernieuwende ideeën en voorbeelden - zoals Calis natuurlijk ook wel weet - vooral in het tijdschrift Criterium, waarin redacteur Hermans zijn geruchtmakende eerste deel van De tranen der acacia's publiceerde en Reve onder meer twee hoofdstukken uit De avonden. De revolutie in de poëzie werd aangekondigd in Het woord: Elburg, Schierbeek en Kouwenaar vindt men daar al bij elkaar. Hoe afkerig Podium in die tijd nog tegenover het experiment stond, blijkt uit een parodie die Borgers maakte op een vrij vers van Paul Rodenko dat in Criterium had gestaan. In een 1 april-nummer van Podium prijkt ook een parodie op De tranen der acacia's onder de titel 'De natte broeken der fuchsia's'. Meligheid troef...

Herkauwen

Podium was in deze jaren vooral het orgaan van Fokke Sierksma, een strijdbaar verdediger van de erfenis van Ter Braak. Forum bleef vlak na de oorlog het grote voorbeeld voor al de jonge schrijvers die driftig om vernieuwing riepen, maar veelal niet verder kwamen dan het herkauwen van brokken Ter Braak: geëngageerd moest men natuurlijk zijn, en 'sierpoëzie' was uit den boze. Om die reden werd het tijdschrift Het woord, dat onomwonden het irrationele en de vrijheid van de dichter verdedigde, heftig aangevallen. Podium staat, met Sierksma voorop, geheel aan de behoudende kant.

Pas na de fusie met Columbus verandert dit beeld. Want met Paul Rodenko haalt men dan het paard van Troje binnen. Rodenko had veel affiniteit met het surrealisme, verdedigde de zogenaamde 'obsceniteit' van Henry Miller en kondigde niets meer of minder dan 'de dood van de psychologische roman' aan: dat alles klonk als vloeken in de bedompte rouwkamer van Forum. Calis schrijft in zijn slothoofdstuk: 'Nooit eerder dan bij het schrijven van dit boek is me zo duidelijk geworden hoe groot het belang van Rodenko in die tijd geweest is. (-) Hij is daarmee een van de meest fascinerende figuren uit de literatuur van die tijd.'

Het moet gezegd worden dat deze conclusie weinig toevoegt aan het bestaande beeld van de naoorlogse periode. Het is eerder langzamerhand een cliché geworden: Rodenko als iemand die met zijn ontzagwekkende belezenheid hoog boven zijn collega-schrijvers uittorent. Nog niet lang geleden, bij het verschijnen van Rodenko's Verzamelde essays en kritieken, werd dat oordeel nog eens bevestigd.

Het uiteindelijke resultaat van Calis' onderzoek is dus niet wereldschokkend. Dat heeft tot gevolg dat andere bezwaren sterker gaan wegen. Al te vaak wordt in Speeltuin van de titaantjes de grens tussen literatuurgeschiedenis en petite histoire overschreden. Typerend zijn zinnen als de volgende: 'Over het gesprek zelf, waarbij een van de Friezen, die in handlijnkunde liefhebberde, nog zijn handafdruk maakte, vertelde Woudt: “Dat ging een beetje boven mijn pet allemaal. Ik was nog wat de uit de klei getrokken provinciaal. Ik geloof dat zij het idealistischer en theoretischer benaderen dan ik.” ' Het boek is denk ik het aardigst voor de mensen die er zelf in voorkomen.

De conflicten binnen de redactie, met de uitgever en met andere tijdschriften worden tot in de kleinste details uitgeplozen. Planije, Praas, Voddijn en al die andere brave borsten die ooit wereldliteratuur wilden schrijven, zijn ze echt zoveel aandacht waard? Op de achterflap staat te lezen: 'Voor het eerst worden fameuze conflicten tussen Willem Frederik Hermans en de Podiumredacteuren Fokke Sierksma en J.B. Charles op de voet gevolgd.' De conflicten waar het om gaat, zijn niet 'fameus,' maar nogal onbenullig.

Niettemin valt er hier en daar wel wat grappigs te lezen, bijvoorbeeld hoe Hermans op een Columbus-weekend op kasteel Assumburg de meisjesslaapzaal binnendringt en daar aan een jonge dichteres of verloofde van een dichter 'minder eerbare voorstellen' deed. Hij werd daarvoor al of niet door de marechaussee de volgende dag meegenomen. Zo zijn er nog wel wat krenten in de pap: een correspondentie met Vroman en een zeer dronken brief van Rodenko. Ook de door Calis ontdekte overeenkomsten tussen een verhaal van J.J. Klant en Boons latere roman De paradijsvogel zijn curieus.

Het valt natuurlijk te hopen dat Calis zich nu met onstuitbare werkkracht en nauwgezetheid gaat richten op een periode die literatuur-historisch werkelijk van belang is: Podium als het omstreeks 1950 het tijdschrift van 'de experimentele avantgarde' (Rodenko) wordt.