Verbaasd door Europa; Vrolijke roman van Ethel Portnoy

Ethel Portnoy: Altijd zomer. Uitg. Meulenhoff, 192 blz. Prijs ƒ 32,50.

In De Amerikaantjes haalde Henk Romijn Meijer een paar jaar geleden zijn gram over een Amerikaans echtpaar dat een tweede huis bewoonde in Europa, in de Dordogne. Gierig, materalistisch, opdringerig, ongemanierd, geen rekening houdend met de normen en waarden van de Franse dorpsgemeenschap; dat was het schrille beeld dat hij van de Amerikaantjes gaf. 'Zij' gedroegen zich als olifanten in een porseleinkast, terwijl 'wij' tandenknarsend moesten toezien. Door het gebruik van wij en zij benadrukte Romijn Meijer de cultuurverschillen tussen de oude Europese beschaving en de zoveel plattere nieuwe wereld.

Van Ethel Portnoy, die op haar eenentwintigste Amerika verruilde voor Europa, mag men een genuanceerder beeld verwachten. In haar roman Altijd zomer lanceerde zij op haar beurt een Amerikaan in de Dordogne. Haar hoofdpersoon is inderdaad aanmerkelijk geciviliseerder dan de barbaren van Romijn Meijer. Malcolm betrekt niet zomaar een woning, maar een kasteel, dat hij geërfd heeft. Zelfs mag hij de titel burggraaf van Lignac voeren.

Portnoy's Amerikaan is geen vrek, geen materialist, hij is niet opdringerig en hij is geletterd. Hij lijkt wel wat op de Amerikaan die Henry James in 1876 schiep: een naïeve, montere, maar ook wat wereldvreemde en eenzame figuur. In Amerika, zo meent Malcolm, leidde hij maar een soort droombestaan en nam hij nergens werkelijk aan deel. Voor een Europeaan, wortelend in een traditie, ziet het leven er heel anders uit. “Je was niet alleen jezelf. Je was ook een radertje in het grote geheel van de voortgaande Europese geschiedenis.” Europeanen zijn in zijn ogen mensen met een hartstocht, een obsessie. Al gauw heeft hij er zelf ook een: zijn kasteel, dat opgeknapt moet worden en dat hem voor torenhoge onkosten stelt. Maar juist omdat het hem zoveel zorgen baart, wordt het kasteel hem steeds dierbaarder.

Het bijzondere aan deze roman is intussen niet zozeer dat Malcolm zich in allerlei nesten steekt om aan geld voor een verbouwing te komen, maar dat het een roman is, Portnoy's eerste. Haar onwennigheid met het genre is van elke bladzij af te lezen. Altijd zomer is een eigenaardig geval, eerder een uit de hand gelopen novelle dan een roman, met een wat onbeholpen intrige, vol onverhoedse overgangen, en een malle, kasteelromanachtige ontknoping. Ook de stijl is niet helemaal overtuigend. “De alfa accellereerde als een speer”, wordt nogal eigentijds opgemerkt in een verhaal dat zich in 1953 heet af te spelen. Van het dorp Lignac wordt gezegd dat het 'ver weg' is 'qua afstand'. En talrijk zijn omslachtige zinnen van dit type: “Hij was van het voorval zo uit zijn doen dat madame Lesvignes van hem schrok toen ze hem zag en vroeg of hij zich wel goed voelde.”

Maar het meest eigenaardig is nog wel dat Altijd zomer, ondanks de gammele constructie en de krukkige stijl, een vrolijk stemmende roman is. Dat moet wel te maken hebben met het onbekommerde en pretentieloze karakter ervan. En met de lichte toon die gezet wordt door Portnoy's Amerikaan met zijn onbevangen blik op de wereld. Hij is permanent verbaasd over de heftige gang van zaken in Europa, of het nu gaat om het bedrijven van de liefde, het besturen van een auto, het zoeken naar truffels of het verzorgen van een gerimpelde huid.

Anders dan de Amerikaan van Henry James of de Amerikaantjes van Henk Romijn Meijer blijft Malcolm geen buitenstaander, maar neemt hij de Europese vechtlust over. Zodoende kan hij, als alle moeilijkheden zijn overwonnen, tevreden vaststellen: “Hij had, in elk opzicht, het beste gedaan”. Zijn toekomst ziet er zonnig uit, zoals de titel van de roman ons ook al beloofd had.