Talent voor het onontkoombare; Ongeevenaarde precisie van Frida Vogels

Frida Vogels: De harde kern 2. Uitg. Van Oorschot, 760 blz. Prijs ƒ 75,- tot 25 dec, daarna ƒ 95,- of 115,- (geb.).

Zelden laat iemand zo goed zien hoe ingewikkeld en tegenstrijdig mensen in elkaar zitten - en wat een ramp dat kan zijn. Zelden ook tref je een zo ingewikkeld personage als Frida V., de hoofdpersoon van De harde kern 2, het tweede boek van Frida Vogels' uit drie delen bestaande reuzenroman. De eerste twee delen: 'Kanker' en 'De naakte waarheid' verschenen in boek één, boek twee bevat 'Met zijn drieën'. Die drieën zijn moeder, Frida en broer Thijs. De grote afwezige is vader, de enige man van wie Frida werkelijk en met volle overgave heeft gehouden.

Nog meer dan in het vorige boek maakt de schrijfster het ons moeilijk om te onderscheiden tussen personage en schrijfster, nu ze zelfs de vermomming van een andere naam heeft opgegeven. In het vorige boek heette ze nog Berta Mees, nu schrijft ze: “Vader, moeder, Thijs, mijn broer, en ik, de ik die dit schrijft, Frida Vogels: daarmee is alles ooit begonnen.” Berta moet in Frida verankerd worden, de Frida van vóór het huwelijk dat het onderwerp was van de eerste twee delen. Waarom dat moet? 'Ja, waarom', zou Vogels zelf schrijven. Omdat het niet anders kan. Het schrijven van dit boek is van levensbelang voor de Frida die erin aan het woord is. Dit boek is haar leven. Maar, zegt ze zelf: “Als je een boek over je leven schrijft en je leven is niets anders meer dan dat boek, hoef je ook geen boek meer te schrijven.” Want ze is altijd de eerste om kritisch en afbrekend te staan tegenover alles wat ze onderneemt. Al klinkt in dit deel, vooral in de laatste paar honderd bladzijden, toch ook wel een zekere aanvaarding door. Dat is dan toch gewonnen.

Met ongeëvenaarde precisie en aandacht voor details beschrijft Vogels de kinder-, jeugd- en studentenjaren van Frida V., een moeilijk, eigenwijs, gesloten en briljant meisje. 'Eigenaardig' zegt haar moeder onomwonden, die haar later ook een keer zal schrijven: “Je moet nu normaal worden voor de rest van je leven.” Vogels beschrijft hoe Frida de 'steunpilaar' is van haar ziekelijke en al jong gescheiden moeder, hoe ze zich al op achtjarige leeftijd voorneemt: “Ik kan alles, ik word nooit ziek en ik ben nergens bang voor.” Met die kreet blijft ze jarenlang schermen. Het is een nogal wonderlijk devies voor iemand die weliswaar heel intelligent is, maar zowel praktisch als sociaal vrijwel niets kan en die voor ongeveer alles bang is. In 'De naakte waarheid' bleek ze trouwens ook een slepende kwaal aan haar been te hebben waar ze jarenlang niets doeltreffends aan liet doen, wellicht omdat ze immers 'nooit ziek' was.

Kletsnat

Het armelijke leven met moeder, de tantes en ooms, de oorlog met de twee zo verschillende onderduikers, de school, de moeilijkheden met de andere kinderen, en vooral de onmogelijke liefde voor de verschijnende en weer verdwijnende vader - het wordt allemaal geobsedeerd en met een grote kracht van herinnering beschreven. Meer dan in de vorige twee delen waarin de vertelster nauwelijks afstand van zichzelf nam, wordt de hoofdpersoon nu met enige distantie bekeken. Dat geeft wat lucht af en toe, en dat is wel nodig in dit zichzelf steeds verder dichtschroevende leven. Vogels kan verrassend laconiek over het vreemde gedrag van de opgroeiende Frida schrijven. Zo zit die een keer in een korenveld haar brood te eten en hoort twee klasgenootjes aan elkaar vragen: “'Wat denk je? Zou Frida echt gek zijn?' Toen de schoolbel ging, kwam ik te voorschijn. Ik kwam voor de school, zag die andere twee daar staan en sprong in de fontein zodat ik die middag kletsnat in de klas zat.”

Een beetje gek is ze vast wel, maar ze is ook wanhopigmakend onzeker. Ze kan er absoluut niet tegen dat andere mensen verwachtingen van haar hebben, dan wringt ze zich in de vreemdste bochten om daaraan te voldoen, met als resultaat dat ze, precies zoals ze vreesde, door de mand valt. Niet omdat ze eigenlijk een waardeloos iemand is, maar omdat ze niet zichzelf durft te zijn. Nergens ontleent ze zelfvertrouwen aan, niet aan de liefde van haar moeder, niet aan de bewondering van haar broer, niet aan haar hoge schoolcijfers, niet aan haar uitsluitend tussen aanhalingstekens genoemde 'capaciteiten'. Dat ze bijvoorbeeld op de lagere school geen enkele moeite heeft met de moeilijkste rekensommen maakt haar juist nog onzekerder: “Weliswaar kon ik ze oplossen (-) maar ik geloofde dat er een verborgen moeilijkheid was die me ontging. Die moest ik betrappen maar dat kon ik nu juist niet.” Zo draait ze het altijd zo dat ze faalt, onmachtig om iemand anders in zichzelf te zien dan degene die alleen maar doet alsof. Het is voor haar erg moeilijk om bij 'de harde kern' terecht te komen. In haar wanhoop kwetst ze anderen dikwijls, maar ze is toch in de eerste plaats zelf het slachtoffer.

Barricaden

Het vorige boek was geschreven voor echtgenoot Stefano, in dit boek, vooral in de laatste helft, is het broer Thijs met wie Frida zich moet verstaan. Ooit dacht ze met hem het leven van hun ouders beter over te zullen doen. Dat kan niet, tenzij men met zijn broer zou willen leven 'in de volle zin van het woord'. Dat wilde ze ook wel, al gaf ze het zichzelf niet toe. Het moment dat ze dat inziet, is het moment waarop hun levens uiteen spatten. Hoe kan het ook anders. “Ik probeerde om bruggen naar andere mensen te slaan, maar wierp al doende barricaden op,” schrijft de ouder geworden Frida.

Haar verhaal verspringt steeds tussen vroeger en 'nu', de tijd dat ze aan het boek zit te werken. Door dat 'nu', waarin van alles gebeurd blijkt te zijn dat de personages in het vroeger nog niet weten, komt er iets noodlottigs over het boek te hangen. Vogels is de meesteres van de onheilspellende vooruitwijzing: steeds weer geeft ze aan dat er ooit, in Bretagne, iets onherstelbaars is gebeurd tussen Frida en Thijs, maar ze stelt het tot de allerlaatste bladzijden uit om daarover te vertellen. Het is haar talent, om alles wat er gebeurt en alles wat er gezegd en gevoeld en gedacht wordt, onontkoombaar te laten zijn. Ze schrijft meer dan eens: “Ik had het niet niet kunnen doen.” Nee. Alles is, hoe rampzalig soms ook, onvermijdelijk geweest. Maar dat heeft een meesterlijk boek opgeleverd.

UIT: FRIDA VOGELS, DE HARDE KERN 2

In mevrouw Slagers pension werden twee Duitse soldaten ingekwartierd, Willy en Fritz; mevrouw Slager, die zelf immers Duitse was, praatte heel gewoon met ze, in het Duits. De eerste avond dat ze daar waren, riepen Willy en Fritz me op hun kamer, de voorkamer naast de onze; op de tafel lag een opengeslagen koffertje vol lekkers en ze beduidden me dat ik daarvan mocht nemen wat ik hebben wilde. Ik bleef bij de deur staan, mijn hoofd schuddend dat ik niets wou hebben, en zij bleven verbouwereerd op het koffertje wijzen; ik bleef mijn hoofd schudden en schuifelde stapje voor stapje achteruit. Moeder legde me uit dat Willy en Fritz twee heel gewone jongens waren, wie in Duitsland was wijs gemaakt dat de Hollanders ze met vreugde zouden binnenhalen en die daarom al dat lekkers voor de Hollandse kinderen hadden meegebracht. Dat was dan wel heel erg dom, dacht ik; ik hoorde ze in de kamer naast ons rommelen en repeteerde in gedachten het Wilhelmus. Wat later kreeg mevrouw Slager bericht dat Willy, of was het Fritz, gesneuveld was; ik dacht terug aan dat koffertje en voelde me slecht op mijn gemak, maar aan de andere kant mocht je zulke berichten van de vijand natuurlijk niet eens krijgen.