Proefschrift ongevraagde hulpverlening; 'Bemoeizorg praat geen problemen aan'

ROTTERDAM, 10 DEC. Bemoeizorg is sinds vandaag een nieuw woord in de psychiatrische hulpverlening. Het woord is een samentrekking van bemoeienis en zorgzaam en duidt op de ambulante hulp aan schizofrenie patiënten. Hoe ver kun je gaan met het ongevraagd aanbieden van zorg en hulp aan deze moeilijk bereikbare groep mensen? Op dit onderwerp promoveert de sociaal-psychiatrische verpleegkundige Henrie Henselmans vandaag aan de Utrechtse Universiteit.

Veel chronisch psychiatrische patiënten staan afwijzend ten opzichte van psychiatrische hulp. Zij zijn vaak geneigd de hulp af te breken omdat zij het belang van de aandacht of medicijnen onderschatten of omdat zij nauwelijks besef van hun ziektebeeld hebben. Henselmans (37) onderzocht en beschreef een project waarbij getracht werd deze groep patiënten alsnog voor hulp te winnen. Het lukte uiteindelijk om tweederde van de patiënten te bewegen tot psychiatrische hulp. De geestelijke toestand van de helft van hen verbeterde aanzienlijk.

Naar aanleiding van zijn promotie ontving Henselmans de laatste weken nogal wat post van zowel de universiteit als collega's uit de hulpverlening. Hij werd steeds aangeschreven met drs. “Het is grappig om een paar weken doctorandus te zijn. Maar ik heb die graad nooit gehaald. Ik heb MAVO gedaan en daarna heb ik de opleiding tot psychiatrisch verpleegkundige gevolgd. Maar omdat ik ook de tweejarige opleiding aan de Katholieke Hogere School voor Verpleegkundige in Nijmegen heb voltooid, heb ik toegang tot de universiteit.”

Volgens de wet heeft sinds 1986 ook iedereen die een opleiding aan een hogeschool heeft afgerond toegang tot de promotie. Henselmans sloeg de stap van een doctoraalstudie over en vroeg op aanraden van zijn begeleider, prof. dr. P. Schnabel, een promotieplaats aan. “Ik had er wel eens aan gedacht maar hij zei het uiteindelijk hard op. Hij waarschuwde dat ik dan wel met iets heel goeds moest komen. Voor een zesje deed hij het niet.” Henselmans is de eerste verpleegkundige die in Nederland promoveert op een sociaal-psychiatrisch onderwerp. Kennis en ervaring deed hij vooral op bij de Rotterdamse Riagg, waar hij vanaf 1981 als verpleegkundige werkt. Sinds 1989 is hij projectleider van het 'bemoeizorg-project'.

Gedurende drie jaar verzamelde Henselmans gegevens over de eerste 42 chronisch psychotische patiënten (van wie veertig met de diagnose schizofrenie) die tot het project werden toegelaten. In het onderzoek komen vragen aan de orde als: welke problemen kennen deze patiënten? Hoe kan de hulp die zij ontvingen het best worden getypeerd en wat zijn de resultaten daarvan?

In zijn onderzoek legt Henselmans de nadruk op de bemoeienis van de hulpverlener. “Als hulpverlener mag je ongeveer zo ver gaan als een Jehova's getuige. Je mag een keer langs gaan en je bezorgd tonen. Als de deur voor je neus wordt dichtgeslagen mag je het daarna nog een paar keer proberen.” Het etiquetteboek en instructieboek voor diplomaten en verkopers is daarom een ideaal handboek voor hulpverleners. Hoe leg ik contact en hoe overtuig ik mensen. Het is natuurlijk niet zo dat de hulpverlener de patiënt aanpraat dat hij zorgbehoevend is of een psychiatrische stoornis heeft. Henselmans: “Het gaat om mensen die al meerdere malen opgenomen zijn. De diagnose is al gesteld maar de behandeling hebben zij zelf afgebroken.”

Als de patiënt is bereikt, probeert de bemoeizorg hem te helpen bij de problemen met het leven van alledag. Deze mensen zijn vaker dan anderen alleenwonend, zij zijn al geruime tijd ziek en hebben financiële problemen omdat ze meestal nauwelijks inkomen uit arbeid genieten. De helft van de onderzochte groep bestond uit mannen onder de veertig jaar. “Vooral jongeren van wie men vaak zegt dat er niets meer mee te beginnen is. Ze verzorgen zichzelf slecht, vertonen een overmatig alcohol- en druggebruik en zijn sociaal totaal ontspoord maar gek genoeg viel de bemoeizorg bij hen in heel goede aarde.

“Bij de vrouwen van veertig jaar en ouder, die ook oververtegenwoordigd waren in de groep, sloeg het project daarentegen minder aan. Bij hen is er vaak sprake van paranoïde gedachten. Zij komen binnenstormen bij de Riagg en roepen bijvoorbeeld 'Ze zeggen dat een ambulance me uit de maatschappij komt halen'. Deze vrouwen leven zeer geïsoleerd en veroorzaken nogal eens burenoverlast. Financiële problemen kennen ze nauwelijks en zij verzorgen zichzelf juist weer wel goed.”

Bij veel patiënten heeft het systeem van een vrijblijvende (de patiënt wordt tot niets gedwongen) maar tegelijkertijd aanhoudende (we komen steeds terug) behandeling een positieve uitwerking. Omdat schizofrenie patiënten een gering ziektebesef hebben, wanen zij zichzelf minder gestoord dan de omgeving veronderstelt. Henselmans: “Het is een zichtbare afwijking. Als je een keer hebt geschreeuwd op straat, ben je door de buurt voor altijd veroordeeld.”

De groep patiënten - inmiddels uitgegroeit tot zeventig - kan dagelijks langs komen. Vier hulpverleners staan klaar om hulp aan te bieden. Geen van de patiënten heeft één vaste begeleider en een afspraak wordt nooit gemaakt. “Dat voorkomt overvolle agenda's en je hebt altijd tijd voor de patiënt.”

De bemoeizorg sluit aan bij de trend de psychiatrische hulp ook buiten pasychiatrische ziekenhuizen te realiseren. Zij hoopt een bijdrage te kunnen leveren aan het voorkomen van verloedering van alleenwonende psychotische patiënten. In combinatie met andere hulpsoorten en voorzieningen zou volgens Henselmans op den duur de zorg van een psychiatrisch ziekenhuis vervangen kunnen worden.