Les Belles Etrangères was groot succes

Nog geen uur terug van een tiendaagse tocht door Frankrijk, moe maar voldaan, hoor ik de eerste berichten van het thuisfront: “Jullie hebben het verschrikkelijk gehad, hè? Een totale mislukking... lege zalen, iedereen liep weg... een ramp.” Wat een vreemde thuiskomst. Ik heb een heel ander verhaal: volle zalen, levendige discussies, aandachtig publiek, vooral veel Franse studenten, uitgevers en lokale pers. Niet eerder is er in Frankrijk zoveel over deze Belles Etrangères geschreven, een door het Franse ministerie van cultuur opgezette manifestatie die tot doel heeft een minder bekende literatuur bij een groter publiek bekend te maken. Drie keer per jaar nodigt Frankrijk een groep buitenlandse schrijvers en dichters uit, stelt in overleg met het land een programma op en laat het gezelschap na optredens in Parijs, in groepjes door de provincie reizen. Het begon in 1987 met Brazilië, daarna volgden Oost-Duitsland, Denemarken, Hongarije, Ierland en Mexico; Nederland was nu de eenentwintigste in de reeks. Volgens de organisatoren kreeg nog geen land zoveel kolommen in de dag- en weekbladen bij elkaar: L'Express, Le Monde, Libération, La Croix, besteedden pagina grote artikelen aan de Nederlandse literatuur, nieuwe vertalingen werden uitgebreid besproken. Kortom, Les Belles Etrangères was een succes.

De berichten in de Nederlandse kranten waren heel wat negatiever: 'Fransen lopen weg bij avond met Nederlandse auteurs', luidde de kop boven een bijdrage van correspondent Marc Chavannes in deze krant (30 november). Dat was de eerste avond ja, een belabberder start was niet denkbaar daar in die morsige Sorbonne. Elf schrijvers moesten worden voorgesteld, er was één microfoon, op de derde rij was al geen woord meer te verstaan, er was geen water, geen garderobe, geen pauze en de dichtstbijzijnde plee drie minuten lopen, we mochten blij zijn dat het bord was schoon geveegd. Terecht liepen de mensen weg. (En velen keerden weer terug toen er ruim drie uur later champagne werd geschonken). De Fransen hadden de Nederlanders nog zo afgeraden voor een openingsavond in de Sorbonne te kiezen, de organisatoren stelden een zaal bij La Coupole voor, maar dat vonden we niet deftig genoeg. Als Parijzenaars al naar schrijvers willen luisteren doen ze dat graag in een elegante omgeving, een collegebank wordt na één uur een martelplank. Een valse start dus, maar daarna heeft iedereen revanche genomen. Een uitpuilend Maison de La Poésie met Nooteboom en Kopland, een ontroerende middag met Haasse en Springer over het koloniale verleden, twee keer een volle zaal in het Centre Pompidou met een strak geleid optreden van alle schrijvers. Vier dagen, elke middag en avond, stonden Nederlandse schrijvers ergens in Parijs over hun werk te praten. We werden van hot naar haar gesleept en konden elkaars verrichtingen maar moeilijk volgen, maar in de pauzes tussen onze lezingen en conférences hoorde ik enthousiaste verhalen over hoe mooi Ella Aasse uit haar werk had voorgelezen en hoe leuk de ontmoeting tussen Connie Palmen (Les Lois) en leerlingen van het Lycée International was geweest. (“Haar boek heeft mijn leven omvergeworpen”, zei een jong meisje dat in Palmen een nieuwe heldin had gevonden.) Als de schrijvers moesten werken, waren de Nederlandse journalisten zelden aanwezig, zij vonden een bezoek aan de ter onzer ere aangerichte recepties belangrijker. Bij de Nederlandse ambassadeur, bij Jacques Toubon, Ministre de La Culture et de la Francophonie en daar hoorden ze ons dan klagen over een gemene griep die door onze gelederen trok en die een enkeling in bed hield en twee schrijvers zelfs noopten eerder naar huis te gaan.

Maar wie berichtte er over de ontmoetingen tussen Nederlandse en Franse schrijvers? Het Maison des Ecrivains had iedere schrijver een Franse parrain of marrain toegewezen, een peter of meter die ons met raad en daad ter zijde kon staan. Ieder deed ermee wat hij wilde, zo liet Harry Mulisch zich door de bekende romancière Vivianne Forrester door de nieuwe vleugel van het Louvre leiden, ik kreeg Marie-France Briselance toegewezen, een schrijfster met een encyclopedische kennis over Franstalig Afrika. Ze bracht me in contact met een Malinese schrijver, liet boeken uit bibliotheken aanrukken, en wist me binnen twee dagen archiefmateriaal in handen te spelen waar ik zelf al maanden tevergeefs naar had gezocht. Fantastisch, wat een ongekende collegialiteit en dat allemaal op kosten van de Franse regering, die onze peetschrijvers een speciaal potje had gegeven om het ons naar de zin te maken. En zo hoefde je niet elke avond met Nederlanders onder elkaar te eten, maar - als je wou - met Parijse schrijvers, gewoon bij hen thuis. Weer een vooroordeel en cliché minder, want we schrijven liever op dat Parijzenaars arrogant en afstandelijk zijn.

Na vijf dagen splitsten de Nederlandse schrijvers zich in kleine groepjes op, een aantal trok naar Bordeaux, Montpellier, Aix-en-Provence, anderen naar het noorden, Lille en Brussel. Ik weet niet hoe het hen daar is vergaan, ik kan alleen maar namens mezelf en Connie Palmen spreken, mijn reisgezel voor Arles en Straatsburg. Het was zwaar in Arles, weer diners met lokale literaire helden, maar het werd een warme avond, goed voorbereid en het was eigenaardig mee te maken hoe de Fransen zich na afloop begonnen te beklagen dat hun eigen literatuur op het ogenblik lang niet zo spannend is als de Nederlandse die daar in groten getale in vertaling lag. Wij zeiden het niet, zij vonden het zelf, en die avond ging het ook om meer dan ons zelf, we vertegenwoordigden (in alle bescheidenheid) ook de schrijvers die er niet waren. Een goede oefening, ook voor ons, omdat we in Nederland meer gewoon zijn ons tegen elkaar af te zetten dan een solidair blok te vormen.

Straatsburg was het hoogtepunt. Een bomvolle zaal en leerzame discussies over de toekomst van de kleine talen in een groter Europa: een Marokkaanse bezoeker pleitte ervoor Nederlands als overkoepelende taal voor Europa in te stellen, omdat onze taal zich voor vreemdelingen uit Noord-Afrika veel makkelijker laat uitspreken. De Elzasser kranten schreven erover, de Nederlandse niet. Dat hoeft ook helemaal niet. Maar één berichtje over een mislukte openingsavond mag niet representatief zijn voor een tiendaagse trektocht van een aantal Nederlandse schrijvers door Frankrijk. Mislukkingen lezen lekkerder en Chavannes stukje past ook te goed bij het ontnuchterende zelfbeeld dat de Nederlander nu eenmaal graag over zijn land en cultuur etaleert. Door ons eigen optreden in Frankrijk als een belachelijke affaire af te schilderen doen we niet alleen de werkelijkheid geweld aan, maar we tonen in onze valse bescheidenheid ook vooral onze ongelooflijke arrogantie. De Franse regering stopt jaarlijks vele tonnen in Les Belles Etrangères, zien wij Nederland drie maal per jaar een groep buitenlandse schrijvers uitnodigen, inclusief verzorgd tournee langs de universiteitssteden? Tien Turkse schrijvers, tien Marokkaanse?

Het zou een hart onder de riem zijn voor de gastarbeiders die het beste van hun leven aan ons land hebben gegeven. Het zou ook voor Nederlandse schrijvers een interessante ervaring kunnen zijn. Nederland doet zulke dingen niet. Cultuur is een sluitpost. Eigen cultuur is om uit te lachen.