Langs de rand

We wilden naar de top van de Risnjak, een eindje boven Rijeka, Joegoslavië. Nadat we uren door een naar knoflook geurend beukenbos hadden gelopen, kregen we eindelijk weer zicht op de open hemel en daar bleek een vreselijk onweer in gereedheid te zijn gebracht.

We dachten nog even aan een mogelijkheid om te schuilen, maar toen het geweld werkelijk losbarstte besloten we maar terug te gaan. Het begon te hagelen. Weldra flitste de bliksem aan alle kanten om ons heen. De donderslagen gingen je door merg en been. Zo erg als toen hadden we het nooit meegemaakt, en zo erg hebben we het ook nooit meer meegemaakt.

We zaten in het onweer als in een koektrommel. Je wist niet of je moest hollen of stilstaan. De spanning ritselde in je haren.

Jan was toen zeven en had mijn hand gepakt, wat op zichzelf al vreemd was; meestal liep Daan bij mij, Jan bij Iris. “Onze Lieve Heer”, zei hij flink, “is wel op zijn drumstel bezig.”

“Zeg dat nou maar niet”, zei ik en dat meende ik. Niet dat ik opeens gelovig was geworden, maar we gingen zozeer langs de rand, dat ik elk extra risico, zij het nog zo gering of fictief, wilde uitbannen.

Daan, Iris en Jan op de foto. Net na de bui, net terug bij de auto. Drijfnat. Maar hoe lang je ook naar hun gezichten kijkt - als je dat van dat onweer er niet bijvertelt, zie je er niets bijzonders aan.