KGB-archieven onthullen de laatste dagen van ten dode opgeschreven schrijvers; Hoe de kat speelde met de muis die hij het meest vreesde Vitali Chentalinski: La parole ressuscitée. Dans les archives littéraires du K.G.B. Uitg. Robert Laffont, 460 blz....

De Russische schrijver Vitali Sjentalinski kreeg bij de KGB als eerste toegang tot de geheime dossiers van schrijvers die het slachtoffer werden van de Stalinterreur. Hij las de verhoren van Isaak Babel, Osip Mandelstam en Boris Pilnjak en was zo getuige van hun strijd tegen de ondergang. Over de Stalinterreur is veel geschreven, maar niets weegt op tegen de echte documenten, de formulering van de beschuldigingen, de walm die opstijgt uit de tekst van de verhoren.

Een van de onwezenlijkste ruimtes die ik ooit betreden heb, was een kelder in een blauwgesausd herenhuis aan de Malaja Loebjanka in het centrum van Moskou. We schreven september 1991, de staatsgreep onder leiding van KGB-chef Vladimir Krjoetsjkov was net verijdeld, de communistische partij was in paniek, de archieven van het Centraal Comité waren al vrijgegeven en de KGB hield zich muisstil in de hoop dat de bui over zou trekken. Terwijl de grondlegger van de KGB, Feliks Dzerzjinski, die tientallen jaren voor zijn hoofdkwartier de Loebjanka de wacht had gehouden, van zijn sokkel werd getrokken, loerden vanachter de zware gordijnen KGB-ers naar buiten of de meute soms van plan was het granieten gebouw te bestormen.

In die onzekere dagen kreeg ik toestemming om de archieven van de Moskouse dépendance van de KGB te bezoeken. Alsof het de gewoonste zaak van de wereld was ontsloot een functionaris de kelderdeur van het onopvallende huis tegenover de Loebjanka. De kelder stond vol stalen rekken, gevuld met keurige kartonnen dozen, rij na rij. Een jonge KGB-archivaris zat aan een tafel in een kaartenbak te neuzen. Ik nam een willekeurige map uit de kast. Getypte vellen vol vijanden des volks: kampstraf, executie, verbanning, vermoord. Lijsten met namen, gevolgd door een simpel potloodhaaltje om aan te geven dat de executie was uitgevoerd.

Op een paar vierkante meter zag je hier de absurde wreedheid van het stalinisme aan je voorbijtrekken, naam na naam, zaak na zaak, vastgelegd met een bureaucratische hardnekkigheid waar je verstand bij stilstaat. Mijn blik viel op een willekeurige kolchozboer uit het zuiden van Rusland, die vijf jaar strafkamp kreeg wegens 'sabotage'. Uit de acte van beschuldiging viel te leren dat hij eigenhandig en 'met boos opzet' de dekking van een nader gespecificeerd aantal vrouwtjesnertsen door een nader gespecificeerd aantal mannetjesnertsen had verhinderd, waardoor hij de socialistische sovjet-economie én de bonthandel een gevoelige klap had toegebracht. Je moet zoiets drie keer lezen voordat de portee van de mededeling in haar volle omvang tot je doordringt. Je vraagt je af wat de arme boer tot zijn verdediging heeft aangevoerd. Zo stonden in die kelder duizenden mensenlevens opeengepakt, gereduceerd tot twee getypte velletjes waanzin. De KGB-functionaris begreep niet waar ik me druk over maakte. We kregen ruzie.

Hartverscheurend

Het kostte de schrijver Vitali Sjentalinski in 1988 nog heel wat meer moeite om toegang te krijgen tot de KGB-archieven. Hij richtte een commissie op voor de literaire erfenis van schrijvers die slachtoffer zijn geworden van de Stalinterreur. Volgens zijn berekeningen zijn bijna tweeduizend schrijvers gearresteerd, van wie er ongeveer vijftienhonderd in de kampen zijn omgekomen. Na een jaar traineren kon de commissie aan de slag. Sjentalinski mocht de Loebjanka betreden en kreeg fascinerend archiefmateriaal onder ogen, dat een aantal leemten in de geschiedenis van de sovjet-literatuur vult. Hij deed regelmatig verslag van zijn vondsten in het weekblad Ogonjok. Hij heeft ze nu samengevat in het boek La parole ressuscitée (De wederopstanding van het woord), dat net is verschenen bij Robert Laffont. In Rusland is het boek nog niet gedrukt, want daar is voor literatuur nauwelijks meer geld beschikbaar, zoals de Izvestia in een bespreking treurig meldde. Wat Sjentalinski aantrof liegt er niet om.

Hij vond geconfisqueerde manuscripten van Michail Boelgakov (een dagboek), Andrej Platonov (fragmenten van het ongepubliceerde Technische roman) en de dichter Nikolaj Kljoejev (een 4000-regelig apocalyptisch poëem, getiteld Lied over de grote Moeder. Sjentalinski is er erg van onder de indruk en noemt het een soort Veda van de Russische boer). Hij vond een hartverscheurende brief van toneelregisseur Vsevolod Meyerhold, waarin deze vertelt hoe hij tijdens de verhoren werd gemarteld. Hij kreeg te horen dat het geconfisqueerde werk van Isaak Babel (15 mappen met manuscripten, 18 aantekenblokken, 517 brieven, briefkaarten en telegrammen en 254 losse bladen) en Boris Pilnjak (bij arrestatie net voltooide roman) onvindbaar is.

Sjentalinski kon ook een einde maken aan de onzekerheid over de sterfdata van de schrijvers. De nabestaanden kregen, soms jaren later, totaal willekeurige data op, die om de executie te maskeren 'verplaatst' waren naar de Tweede Wereldoorlog. De archieven hebben daarover nu definitief uitsluitsel gegeven. Ook kennen we nu de formele beschuldigingen die tegen de beklaagden zijn ingebracht.

Maar al deze feiten, hoe gruwelijk ook, zijn niet het belangrijkste in La parole ressuscitée. Het verbijsterendst blijft het raderwerk van het systeem. Sjentalinski bladerde door de mappen met verhoren, propagandistische kranteartikelen en klikbrieven en toont aan de hand daarvan hoe de kat speelde met de muis die hij het meeste vreesde, de schrijver van het vrije woord, door Stalin zelf cynisch de 'ingenieur van de menselijke ziel' genoemd. Wat nog het meest opvalt aan dat spel is de willekeur waarmee het werd gespeeld. Waarom werden Babel en Pilnjak geëxecuteerd, mocht Zamjatin emigreren, kreeg Boelgakov op last van Stalin zijn baan terug, trof men Platonov door zijn vijftienjarige zoon te arresteren, ontsprongen Achmatova en Pasternak de dans (het zal wel apocrief zijn, maar Stalin zou over Pasternak gezegd hebben: 'laat die bewoner van de hemelen met rust!') en moest Mandelstam in een kamp creperen?

Iets van de verklaring kun je misschien vinden in Stalins beroemde telefoontje naar Pasternak. Stalin vroeg hem wat hij van zijn collega Mandelstam vond. Je hóórt Pasternaks adem aan de andere kant van de lijn als het ware stokken: Mandelstams gedichten prijzen kan je eigen arrestatie inluiden, bekritiseer je ze dan teken je wellicht zijn doodvonnis. Maar evengoed kan Stalin je vriendelijk bedanken voor dit interessante gesprek. Met andere woorden: wat je doet of zegt doet niet ter zake. Dat kan, zo is bewezen, een hele maatschappij verlammen. Pasternak hield zich overigens op de vlakte, maar stelde wel een ontmoeting voor om van gedachten te wisselen. Toen Stalin vroeg waarover dat gesprek dan zou moeten gaan, zei Pasternak: “Over leven en dood.”

Koppig

Zelfs toen de archieven nog gesloten waren, was er over de Stalinterreur al vrij veel bekend. Maar niets weegt op tegen de echte documenten, de formulering van de beschuldigingen, de walgelijke wereld die opwalmt uit de tekst van de verhoren, de beverige handtekening van de beklaagde onder een bekentenis of een noodkreet van zijn vrouw, die achteloos aan het dossier is toegevoegd. In een laatste brief aan Mandelstam schreef zijn vrouw Nadjezjda: “Ik zegen elke dag en elk uur van ons bittere leven, mijn vriend, mijn metgezel, mijn onzekere gids...Ik heb niet de tijd gehad om je te zeggen hoeveel ik van je houd...Ik ben het, Nadja. Waar ben je?”

Men moet voorzichtig zijn met de tekst van de verhoren. De ondervragers waren niet te beroerd om hun eigen correcties aan te brengen. Bovendien raakten de schrijvers zelf zo verwikkeld in een warnet van waarheid en leugen dat ze de grens tussen fictie en werkelijkheid waarschijnlijk voor het eerst in hun leven ook écht voelden vervagen. Toch zijn de verhoren geen gestandaardiseerde cliché's en rijzen uit de woorden heel verschillende karakters op.

Babel, ook als schrijver gefascineerd door geweld en macht en tot zijn arrestatie in mei 1939 werkend aan een roman over de geheime dienst (hij kwam over de vloer bij Stalins beul Nikolaj Jezjov, die tienduizenden doden op zijn geweten heeft), boog eerst mee met de ondervragers, maar richtte zich tijdens het proces weer op. Hij ontkende alle beschuldigingen. De streng gelovige Florenski legde een volledige bekentenis af, maar uit het dossier blijkt dat hij de schuld op zich nam om zijn medebeklaagden vrij te krijgen. De geterroriseerde Pilnjak bekende op zijn proces alles wat men hem in de mond had gelegd. Maar Mandelstam, na een zelfmoordpoging als gevolg van een eerdere arrestatie zeer depressief en angstig, bleef op zijn proces tot het einde toe overeind en ontroerend onaanraakbaar (Sjentalinski heeft daar een theorie over: hoe genialer, hoe moeilijker je je ziel aan de duivel verkoopt). Hetzelfde gold voor de gelovige Kljoejev, die met de dood in de ogen rustig durfde te beweren dat de Oktoberrevolutie “het land in een afgrond van leed en rampen heeft gestort en er het ongelukkigste land ter wereld van heeft gemaakt.”

Morele tobberij

Wat doet een schrijver met een regime dat absolute loyaliteit eist? Hij past zich aan of gaat ten onder. En tussen die twee uitersten zit een hoop morele tobberij. Het is zoals Babel in een van de verhoren zegt: “Onze liefde voor het volk was theoretisch en onze belangstelling voor zijn lot een esthetische categorie. We hadden geen wortels in de boezem van het volk, vandaar de wanhoop en het nihilisme dat wij tentoonspreidden.”

De sovjet-schrijver moest propagandist worden en de goede schrijvers vervielen dus noodgedwongen tot stilzwijgen. Het mechanisme van de showprocessen is altijd hetzelfde. De individualiteit van de beklaagde moet worden gebroken en dat doe je door hem zichzelf aan de schandpaal te laten nagelen. Maar de schrijver verzet zich, zoals telkens weer uit de verhoren blijkt. Babel weet zijn arrestatie tijdens de eerste verhoren zelf aan zijn 'creatieve onvruchtbaarheid', die 'in de sovjet-omstandigheden' als sabotage en werkweigering kon worden beschouwd. Later ging hij een stapje verder. Contacten met trotskisten zouden een 'vernietigende invloed' op zijn werk hebben gehad. In 1935 zou hij zich in Parijs door André Malraux voor spionagewerk hebben laten recruteren, zo gaf hij toe. Over zijn boek Rode ruiterij verklaarde hij: “Rode ruiterij diende me als voorwendsel om mijn verschrikkelijke humeur uit te leven, dat niets te maken had met wat zich in de Sovjet-Unie afspeelde. Vandaar die nadrukkelijke beschrijvingen van de wreedheid en absurditeit van de burgeroorlog, de kunstmatige introductie van erotische elementen, een opeenvolging van luidruchtige en choquerende scènes, terwijl ik de rol van de Partij in de organisatie van dit grote, uniforme Rode Leger totaal vergat.” Als je de treurige afloop van het verhaal niet kende, zou je het briljante satire noemen.

Naarmate de dagen verstrijken begint Babels veerkracht af te nemen. Hij tekent steeds meer bekentenissen. Toch blijft hij terugvechten. Zo lezen we opeens een hartstochtelijk literair credo: nooit mag een schrijver zijn individualiteit opgeven. “Geen enkele morele of sociale overweging mag de schrijver en zijn stijl belemmeren zich te ontplooien en te ontluiken. (-) Oppositie van de maatschappij en van de lezers moet je ertoe brengen je eigen positie nog koppiger te verdedigen, en mag niet leiden tot een verandering van je wezenlijke werkmethoden.” Voor de onderzoeksrechter was dit ongetwijfeld niet meer dan wat bruikbaar extra belastend materiaal.

Na enige maanden cel worden de ondervragingen hervat. Babel geeft weer toe en schrijft een berouwbrief aan de nieuwe NKVD-chef Beria, die eindigt met het verzoek om een boek te mogen schrijven, waarin hij zijn teloorgang wil vastleggen. “Ik word gekweld door de dorst om te werken, om mijn zonden uit te boeten, om dit leven te stigmatiseren, dat ik op incorrecte en criminele wijze heb verkwanseld.” Babel lijkt verloren.

Maar dan komt het laatste verhoor. Opeens ontkent hij alle beschuldigingen. En op zijn proces, op 26 januari 1940, toont hij zijn moed: “Nee, ik erken geen schuld. Al mijn bekentenissen tijdens het vooronderzoek, zijn leugens. (-) Ik heb vriendschapsbanden gehad met Malraux, maar hij heeft me niet gerecruteerd voor de geheime dienst, we spraken over literatuur, over onze beide landen.” In zijn laatste woord zegt hij: “Ik ben nergens schuldig aan, ben nooit een spion geweest, heb geen enkel misdrijf tegen de Sovjet-Unie begaan. Ik vraag maar één ding: dat men me de gelegenheid geeft mijn werk af te maken.” Geestelijk heeft Babel de ongelijke strijd gewonnen.

Mindere goden

De dossiers van de KGB tonen ook het genadeloze cynisme van de mindere goden van de literaire wereld, de apparatsjiks van de Schrijversbond. Terecht noemt Sjentalinski een van zijn hoofdstukken 'De denunciatie als literair genre van het socialistisch realisme'. Zo was de directe aanleiding voor Mandelstams arrestatie een brief van secretaris-generaal van de bond Vladimir Stavski aan NKVD-chef Jezjov. Mandelstam, geestesziek en straatarm, had met zijn vrouw zijn toevlucht gezocht in een sanatorium in de buurt van Moskou. Stavski klaagt in zijn brief dat de dichter bij schrijversvrienden in Moskou om geld komt bedelen. Die schrijvers maken een martelaar van Mandelstam en dat zint Stavski niet. “Het probleem is niet zozeer hijzelf (Mandelstam - LS), auteur van lasterlijke en obscene gedichten over de partijleiding en het hele sovjet-volk, als de houding van een groep bekende sovjet-schrijvers tegenover hem. (-) Ik vraag u nog eens erop toe te zien dat het probleem van Osip Mandelstam geregeld wordt.” Zo simpel was het in die dagen. Stavski heeft 'last' van Mandelstam en dus moet hij opgeruimd.

De rol van mensen als Stavski en Fadejev hoeft geen verbazing te wekken, maar Sjentalinski citeert ook een kranteartikel van Majakovski tegen Pilnjak, waarin zo'n gevaarlijk dédain voor een bedreigde collega en zo'n botte redeneertrant doorklinken, dat het verschil met de latere ondervragers niet waarneembaar is. “Ik heb Het verhaal van de Rode Boom van Boris Pilnjak niet gelezen, evenmin als ik trouwens de boeken van veel anderen heb gelezen. Voor mij wordt een voltooid literair werk een wapen. We moeten een einde maken aan deze literaire Spielerei zonder thema. We moeten een einde maken aan de onverantwoordelijkheid van de schrijvers,” aldus Majakovski, die zichzelf in 1930 een kogel door de kop joeg. Voordat hij werd geëxecuteerd, zei Pilnjak in zijn slotwoord op het proces: “Ik wil leven, veel werken, ik wil papier voor me hebben om een werk te schrijven dat nuttig is voor de Sovjets.” Dat zegt de schrijver van Het verhaal van de maan die niet uit wou gaan, een satire over een generaal die na een door de politieke leiding afgedwongen hartoperatie sterft. Iedere sovjet-burger herkende hierin Stalins moord op topmilitair Froenze.

Zelfontwapening

Mandelstam hield op zijn proces stand omdat hij niet liegen kon, niet omdat hij geen angst kende. Dat angst je geen steek verder hielp, bewijst het document waarin professor Pavel Gidoelianov de kwalijke rol uit de doeken doet die hij gespeeld heeft in de zaak tegen Florenski. Hij moest Florenski ertoe brengen te erkennen dat hij de drijvende kracht was achter de, uiteraard fictieve, nationaal-fascistische Partij voor de Renaissance van Rusland. Gidoelianov was vrijspraak beloofd als hij zich over zou geven aan iets wat in sovjet-newspeak 'zelfontwapening' werd genoemd. Hij deed dat met verve en kreeg tien jaar kamp. “Pas toen heb ik begrepen in welke afgrond mijn goedgelovigheid, evenals mijn gebrek aan burgermoed en aan ervaring me hebben gestort,” schrijft Gidoelianov. “Moge dit alles verborgen blijven en met mij sterven. Dixi et animam levavi.” Voor alle zekerheid liet men hem executeren.

De verleiding om uit dit boek te blijven citeren is groot. Er zijn nog zoveel vragen. Wanneer zal ooit het definitieve boek geschreven worden dat op al die vragen antwoord geeft? Sjentalinski licht een flinke tip van de sluier op. Ik had liever gezien dat hij meer ruimte zou hebben uitgetrokken voor integrale documenten. Nu geeft hij citaten, die hij doorvlecht met zijn eigen commentaren en aanvullingen. Dat is soms verhelderend en soms irritant, zoals wanneer hij uitweidt over zijn eigen botsinkjes met de KGB, die in geen enkele verhouding staan tot de weerzinwekkendheid die hij in de archieven heeft opgedoken.

“In het midden van de weg van mijn leven word ik in het dichte sovjet-woud gearresteerd door rovers, die zich voordoen als mijn rechters. Ik ben schuldig. Daar boven is geen plaats voor twee opinies”, schreef Mandelstam in Het vierde proza. Zelf wist hij beter tot zijn laatste snik.

Wij leven zonder onder onze voeten ons land te voelen,

onze woorden zijn niet verder dan op tien pas te horen,

maar waar nog een half gesprekje plaatsvindt

wordt de Kremlinbewoner uit de bergen vermeld.

Zijn dikke vingers zijn vet als wormen

en zijn woorden zijn onwrikbaar als loden gewichten.

Zijn kakkerlakkensnor lacht

en zijn beenkappen glanzen.

Hij is omgeven door een bende slankhalzige leiders

en hij maakt gebruik van de slavendiensten van halfmensen.

Zij fluiten, miauwen of janken,

alleen hij oreert en port met zijn vinger.

Hij smeedt series dekreten, als hoefijzers

die hij mikt op je voorhoofd, je kruis of je oog.

En iedere terechtstelling is een traktatie

voor de Osseet met de brede borstkas.

OSIP MANDELSTAM, NOVEMBER 1933

Dit gedicht over Stalin was de aanleiding voor Mandelstams eerste arrestatie; Vertaling Kees Verheul