In dialoog met een gedicht; Poeziekritieken van Guus Middag gebundeld

Guus Middag: Alles valt in stukken uiteen. Beschouwingen over poëzie. Uitg. De Bezige Bij, 227 blz. Prijs ƒ 42,50

De dichter schrijft een vers en voert daarmee het woord. Namens zichzelf. Sommigen zullen zeggen: namens de taal die in hem spreekt en die hem naar klanken, woorden en zinnen leidt die hij nog niet kende alvorens hij ze uitte. Het woord voert de dichter.

De criticus - door Kees Fens in zijn gelijknamige boek 'de tweede stem' genoemd - leest gedichten en voert daarover publiekelijk het woord, meestal zelfs als eerste, nog vóór de lezer van krant of tijdschrift de besproken gedichten zelf heeft horen spreken. Namens wie schrijft de criticus zijn stuk? Namens zichzelf, de krant, de lezer, de dichter? Of misschien namens de tekst, in een poging om dat te achterhalen wat Umberto Eco de 'intentio operis' noemt, de 'bedoeling' van het werk - niet te verwarren met de bedoeling van de auteur.

Hierin schuilt een verlangen naar redelijkheid, een verlangen naar plausibele en adequate interpretaties contra de mogelijkheid van ongebreidelde en deconstructivistische betekenisvorming en -vernietiging. Het gedicht valt in deze opvatting niet per se in stukken uiteen, maar wordt als consistent beschouwd of op zijn minst als strevend naar betekenisvolle samenhang.

Guus Middag heeft tweeënveertig beschouwingen over Nederlandstalige poëzie - een keuze uit tien jaar kritisch werk - bijeengebracht onder de titel Alles valt in stukken uiteen. Hoewel het woord 'stukken' hier vermoedelijk allereerst slaat op de afzonderlijk geschreven artikelen, krantestukken, gaat er de suggestie van uit, dat de criticus die hier het woord voert, te maken heeft met versplintering, met een poëzieopvatting die zich niet alleen ontwikkelt in confrontatie met een veelvormige dichtkunst, maar ook in dialoog met afzonderlijke gedichten die zelf weinig innerlijke samenhang vertonen. Een poëzieopvatting, waarvan de coherentie juist door het gebroken karakter van de 'eerste stem' onder druk staat. Is 'namens zichzelf' spreken al moeilijk 'namens de tekst' is het niet minder, om maar te zwijgen over de mogelijkheid 'namens de poëzie óver poëzie' te spreken, want 'de poëzie' is hier het grootste fantoom.

Melancholiek

Middag heeft de titel van zijn boek ontleend aan een gedicht van Toon Tellegen, uit de bundel Een langzame val, maar in dat melancholiek gestemde gedicht is, welbeschouwd, sprake van langzame vernietiging, van slijtage en verval, en allerminst van een vergruizeld wereldbeeld. Wie van vergankelijkheid gewaagt, spreekt daarmee impliciet over samenhang en continuïteit. De tijd heelt alle barsten.

Het is dan ook niet verwonderlijk dat Guus Middag zijn stuk over Tellegen als volgt kan beginnen: “Toen ik na het lezen van Een langzame val nog eens las wat ik over Toon Tellegens vorige bundel schreef, schrok ik wel even. Ik bleek naar aanleiding van zijn eenenveertig nieuwe gedichten eigenlijk weinig nieuws en opmerkelijk veel van hetzelfde bedacht te hebben. Dat zegt iets over mij, maar toch ook wel iets over Tellegen.” De criticus voert het woord over een verzameling gedichten, en deze gedichten over hem. En de mededelingen zijn over en weer vrijwel gelijkluidend. Er valt hier niets in stukken uiteen. Dichter en criticus - en in mijn geval ook de lezer van beiden - ervaren een 'onrustbarend' (het woord is van Middag) maar daarom niet minder 'bevredigend' (dit woord is van mij) gevoel van eenheid. Mag dat? Ja, dat mag. “Ik ben benieuwd naar zijn volgende acht bundels”, schrijft de criticus, bijna lief. En ik ben geraakt. Dat zeg ik zonder ironie. Mogen wij 'eentonig' zijn en 'monomaan' (ook twee woorden van Middag over Tellegen)? Weer zeg ik ja. Samenhang is mooi, als die ook variatie kent.

De criticus Middag is wat zijn opvattingen betreft niet zo inconsistent als de titel van zijn bundel suggereert. Hij heeft een uitgesproken affiniteit met symbolistisch georiënteerde poëzie, met gedichten die, liefst op een enigszins terloopse wijze, proberen 'werelden' - en daarin is samenhang geïmpliceerd - aan het licht te brengen die “zich in, onder, achter, naast of boven de zogenaamd zichtbare werkelijkheid bevinden”. Het citaat komt uit een stuk over Bernlef. En daar is dan absoluut niets zweverigs mee bedoeld; op zijn best gaat het er om, de aardse werkelijkheid als nieuw en werkelijk te zien.

Hoe ziet deze criticus zichzelf? Als een 'stukjesschrijver' met een 'hokjesgeest' op het moment dat hij geen greep lijkt te krijgen op de kameleontische Claus bij voorbeeld. Dan kan men hem horen zeggen, alsof het een capitulatie betrof: “Het is dus maar het beste om Claus te nemen zoals hij is: in al zijn gedaanten, per gedicht, achteloos, zonder ons te bekommeren om samenhang. De dichter zelf kan er niet mee zitten.”

Een capitulatie? Ach, eerder misschien een milde vorm van toegeeflijkheid; ook de recensent, die ondanks zijn onmiskenbare verlangen naar eenheid een grote beweeglijkheid tentoonspreidt, op basis van een voor critici onmisbare nieuwsgierigheid, wekt niet de indruk onder zijn permissiviteit te lijden. Wat niet wegneemt dat hij soms wat sarcastisch kan zijn, zoals in het geval van de 'denkende dichters', wier neiging tot stamelen hij stilistisch analyseert. “Sinds het eind van de jaren zeventig waart er een geheimzinnig virus rond in Nederlandse poëzie. Komt een dichter ermee in aanraking, dan gaat hij spreken in een soort stameltaal: in korte, elliptische zinnen die beginnen met hoe of wat, om of dat en die veel dubbele punten bevatten.” (Uit een stuk over Robert Ankers Nieuwe veters) Het is de uitdrukkingsvorm van, zoals Anker het zelf eens formuleerde, de twijfelaar, “die maar geen hiërarchie wil aanbrengen in de verschijnselen des levens”. De volzin moet in deze postmoderne opvatting gewantrouwd worden, want “de kromme werkelijkheid is daarin verkaveld, waarbij de schone vorm een orde suggereert die niet bestaat, tenzij als bestaande orde”. Subversief wil deze poëzie dus ook nog zijn - zo weifelend is zij intussen niet. Met betrekking tot Ankers stamelen is Guus Middag uiteindelijk niet negatief gestemd: mooi is het niet, vindt hij, maar functioneel toch wel en soms werkt het zelfs droogkomisch.

Een min of meer consequente occupatie met de kwestie van eenheid en versplintering is aan Middags werk niet vreemd. Over Dirk van Bastelaere merkt hij op, dat diens regel 'Allemaal delen, van een geheel dat ontbreekt', uit het lange gedicht Pornschlegel, minder overtuigt wanneer hij als programma moet worden opgevat - want daar lijkt het bij Van Bastelaere op - dan als de 'onontkoombare, desolate gevolgtrekking' uit wat er aan beelden en gedachtenflarden aan voorafging. De mededeling lijkt duidelijk: geen postmodernistische versplinteringspoëzie als uitgangspunt, want dan is modieusheid niet ver. En ook is het onmiskenbaar zo, dat Middag met een typering als 'desolaat' impliciet over een verlangen naar koesterende eenheid spreekt.