H.J.E. van Beuningen verzamelde in recordtijd 2700 laat-middeleeuwse insignes; Stoere fallusspeldjes in vroege massaproduktie

Tentoonstelling: Heilig en profaan; tot 27/2/94 in Museum Boymans-van Beuningen, Rotterdam. Geopend: di.-zat. 10-17 uur, zo. en feestdagen 11-17 uur. Gesloten op 1/1/94. Boek: Heilig en profaan, Rotterdam Papers VIII, 350 blz., geïllstr., ƒ 130.

ROTTERDAM, 10 DEC. Hij zou niet meer zo driftig collectioneren. Museum Boymans-van Beuningen in Rotterdam bouwde het naar hem genoemde paviljoen voor zijn schenking van achtduizend pre-industriële gebruiksvoorwerpen, en daarmee was de kous af. H.J.E. van Beuningen, neef van de 'museale' Van Beuningen, achtte zijn taak volbracht als verzamelaar van tot dan toe waardeloos geachte, eeuwenoude potten, pannen, scharen, messen en wat dies meer zij.

Het klonk overtuigend tijdens het interview in 1987. “Bezit is betrekkelijk geworden”, zei hij toen. Maar thuis, in een bescheiden ladenkastje, hielden zich alweer verse blijken van begeerte schuil. Morgen presenteert Museum Boymans-van Beuningen deze 'nieuwe' verzameling Nederlandse bodemvondsten van H.J.E. van Beuningen. In een hoog tempo bracht hij de grootste particuliere collectie ter wereld van laat-middeleeuwse insignes bijeen. Ruim 2.700 miniscule, fragiele afgietsels in een legering van tin-lood of koper met religieuze en profane voorstellingen; van apostelen en een gekruisigde christus tot zeemeerminnen en een gevleugelde fallus. Het is gietwerk van één tot tien centimeter met het raffinement van kantwerk.

Ontelbare pelgrims hebben de religieuze 'badges' als amulet of als bedevaartplaats-souvenir op petten, hoeden en jassen gespeld. Boymans laat driehonderd insignes zien. Meer dan duizend exemplaren hebben Van Beuningen en A.M. Koldeweij, hoogleraar kunstgeschiedenis van de middeleeuwen in Nijmegen, inmiddels uitvoerig beschreven in het zaterdag te presenteren boek Heilig en Profaan.

“Alles wat ik op dit gebied kon verwerven, heb ik ook inderdaad getracht te verwerven”, zegt Van Beuningen bij een provisorische bezichtiging van zijn broches en hangers. “Dit oorlogsschip komt uit een gat langs een Leidse gracht waar men een boom wilde planten. Het is helemaal gaaf uit de grond gekomen. Ik heb ervoor moeten bloeden, maar voor zoiets bloeden is prettig”. Zijn schip, een kogge, meet vijf bij zes centimeter. Mast, kraaienest en boogschutters, kleiner dan nietjes, hebben de afgelopen zes eeuwen dankzij de vochtige, dus luchtdicht afgesloten Hollandse grond ongeschonden doorstaan.

Niet meer dan een of twee insignes heeft Van Beuningen zelf gevonden. Dankzij amateur-archeologen, gewapend met metaaldetectoren, zijn al op de modderige gronden van Zeeland in ruim tien jaar zo'n duizend insignes boven water gekomen. Diezelfde gravers wisten Van Beuningen te vinden. Hij betaalde hen enkele tientjes of duizenden guldens voor fragmenten of voor unieke, complete exemplaren.

Niet alle insignes zijn in huize Van Beuningen meer welkom. De religieuze speldjes moeten in veel gevallen elders onderdak zoeken. De profane exemplaren (de fallussen, de vulva's, de schoentjes, de kookpotten) mogen nog ongegeneerd aankloppen. Helaas blijken locale musea nauwelijks geïnteresseerd, zegt Van Beuningen. Reden waarom het vaderlandse clandestiene graafcircuit voor de verkoop van de religieuze exemplaren naar Engeland uitwijkt.

“Over de profane insignes weten we weinig”, meent mede-auteur Koldeweij, die bij zijn promotie-onderzoek naar de Sint Servaes kerk in Maastricht al uitvoerig kennismaakte met pelgrimstekens. “Omdat een duidelijke scheiding tussen de wereldlijke en kerkelijke macht ontbrak, is ook de grens tussen religieuze en profane insignes moeilijk te trekken. Het was trouwens de wereldlijke macht ook die mensen bestrafte met een bedevaart.”

Koldewey vertelt veel. Over insignes met een doedelzak spelend zwijn, en met zoveel andere duistere beeste-activiteiten en over het plotseling en onbegrijpelijk verdwijnen omstreeks 1450 van de erotische varianten. “Maar wat mij het meest intrigeert bij dit onderzoek is de vroege massaproduktie”, zegt hij. “Tot nu toe is aangenomen dat pas in de eerste helft van de 15de eeuw met de opkomst van de prentkunst de beeldverspreiding onder grote groepen mensen op omvangrijke schaal heeft plaatsgevonden. Nu blijkt dat dit dat vanaf de late 12de eeuw het geval was. Een nieuw beeldhouwwerk van de heilige Jacobus bijvoorbeeld, opgericht in Santiago de Compostela, bereikte in de vorm van pelgrimsinsigne drie maanden later al Scandinavië.”

Afgaande op de miljoenenproduktie zagen talloze dorpen en steden, van het Heilige Land tot in het puntje van Noorwegen brood in de verkoop van de goedkope 'badges', imitaties van al wat maar vereerd en benijd werd. Elke abdij probeerde zijn reliek, zijn eigen heilige, zijn mirakel te vercommercialiseren, zodat passerende pelgrims niet alleen voor een insigne maar ook voor een maaltijd in de plaatselijke herberg zwichtten. Het religieuze insigne weerde het kwaad af, beschermde tegen noodlottige gebeurtenissen, bracht vruchtbaarheid en aanzien. Eigenschappen die voor een deel ook aan erotische exemplaren werden toegeschreven. Met het stoere fallus-speldje op de hoed probeerde de macho de vrouwen en de andere macho's te imponeren.

Van Beuningen en Koldeweij hebben nog meer ontdekt: er moet onder een brede laag van de bevolking een veel ruimere literaire kennis hebben bestaan dan tot nu is aangenomen. Dat leiden ze onder meer af van een insigne waarop Phyllis de onthouding predikende Aristoteles even een lesje leert. Honderden moeten er van deze grote speld uit die ene mal in omloop zijn gebracht.

Koldeweij: “Het grof geproduceerde insigne lag door de lage prijs binnen het bereik van iedereen. In de kunstgeschiedenis komen we vooral in aanraking met de kunst van de elite. Nu kunnen we eindelijk ook een beeld krijgen van de lagere stand. Het tipje van de sluier is nog nauwelijks opgelicht. Maar ik merk dat ik geen boek kan inzien of ik zoek naar de bronnen, de volksverhalen, de fabels en de spreekwoorden, die naar een voorstelling van een insigne kunnen leiden. Het is net zo verslavend als het oplossen van cryptogrammen.”