Het wordt tijd voor wat venijn; De vrolijk-scabreuze Bedelaarsopera van regisseur Rieks Swarte

“De Bedelaarsopera gaat niet over lieve mensen. Het zijn hoeren, bandieten en profiteurs en iedereen draait elkaar een poot uit.” Rieks Swarte regisseert bij het Zuidelijk Toneel John Gay's 18de-eeuwse blijspel-met-liedjes over de Londense onderwereld.

John Gay: De Bedelaarsopera. Vertaald door Theo van Gogh, H. Hartmans en Eva Mesker (liedteksten). Bewerkt door Eva Mesker. Script Het Zuidelijk Toneel, oktober 1993.

Op 24 december verschijnt een cd van Het Zuidelijk Toneel met de soundtrack van Rieks Swartes enscenering en Ron Fords muziek.

De Bedelaarsopera is in de Eindhovense Stadsschouwburg te zien t/m 12 december. Daarna tournee t/m 12 februari. Inlichtingen: 040-460656.

“'n Maagd is als het maagd'lijk goud / Waar nog munt uit moet geslagen...” Jes Vriens, ma Peachum in De Bedelaarsopera van John Gay, breekt haar lied abrupt af. Ze heeft zichtbaar moeite met het verwrongen Nederlands in haar lied en op het helverlichte podium durft ze nog niet solo te zingen. Wat ze wel aandurft, is een duet met Oda Spelbos, ma Peachums dochter Polly. De toon wordt uitbundiger, het spel losser en opeens krijgen de personages gestalte. Het is drie weken voor de première en de eerste keer dat Het Zuidelijk Toneel in de grote zaal repeteert.

“We vreesden dat de zangstemmen van de acteurs niet goed genoeg waren,” zegt regisseur Rieks Swarte na afloop, “maar vandaag ging het de goede kant op. Vandaag zagen we ook dat Polly haar rivale Lucy een trap tegen haar dikke buik gaf. Polly en Lucy zijn allebei verliefd op Macheath en Lucy krijgt een kind van hem. Zo'n trap is dus niet leuk, maar het werd tijd voor wat venijn. De Bedelaarsopera gaat immers niet over lieve mensen. Het zijn hoeren, bandieten en profiteurs en iedereen draait elkaar een poot uit.”

Meer dan tweehonderdvijftig jaar geleden, in 1728, schreef de Engelsman John Gay zijn Beggar's Opera. De vrijpostige satire sloeg in als een bom. Het verhaal speelt zich af in het achttiende-eeuwse Londen, waar drank voor velen de enige uitweg uit de sociale misère was. Rieks Swarte: “Een volwassen Londenaar dronk gemiddeld één liter gin per dag. De mensen waren volstrekt in de lorum. Daarbij hadden ze een werkdag van zestien uur. Met diefstal en prostitutie konden ze meer verdienen. Eén op de vijf vrouwen bedreef de publieke liefde. Men deed het overal, in kroegen, stegen en onder de bruggen. Ook Sir Robert Walpole, de minister-president, was vaak onder die bruggen te vinden. Wat de klandizie van de prostituées betreft bestond er geen onderscheid naar rangen en standen. In zijn komedie drijft John Gay ook de spot met de hoogwaardigheidsbekleders van zijn tijd; zij waren even corrupt als pa Peachum en zijn handlangers.”

Boeten

De Driestuiversopera van Bertolt Brecht en Kurt Weill, precies twee eeuwen na The Beggar's Opera ontstaan, was in Nederland lange tijd meer in trek dan het origineel, misschien omdat Brechts ingrijpende bewerking harder en moderner klonk. Het duurde tot 1971 voordat de oude versie van John Gay zijn Nederlandse première beleefde, bij het Nieuw Rotterdams Toneel. 'De armen en rijken zijn even slecht, maar de armen moeten er voor boeten' - zo luidde toen de moraal van het verhaal. Bij Het Zuidelijk Toneel ligt de moraal er minder dik bovenop. De vertalers hebben nog geprobeerd Gay's kritiek om te zetten in toespelingen op de actuele Haagse politiek, maar dat klonk niet mooi. Wat overblijft is een vrolijk-scabreus verhaal over geld, verraad en egoïsme.

In het repetitielokaal hangen prenten van William Hogarth, een tijdgenoot van John Gay die de Londense opvoeringen van Gay's successtuk op de koperen plaat vastlegde. “Het toneelbeeld moet erg eenvoudig zijn geweest,” zegt Rieks Swarte. “Aan weerszijden van het toneel stonden twee tafels met daarachter de notabelen, die geschrokken naar de voorstelling keken. Het decor bestond uit beschilderde doeken, dat was alles.” Beschilderde doeken maken ook deel uit van het decor dat Swarte heeft ontworpen. Daarbij hanteerde hij zelf de verfkwast. “Mijn decor,” zegt hij, “refereert aan de manier waarop lijsttoneel in elkaar zit, het refereert aan de toneelmachine. Een gazen wand maakt transparant wat er achter de schermen gebeurt en er worden trucs met het perspectief uitgehaald.”

Hij heeft, zoals hij het zelf noemt, een 'geschiedenistic' - en dan vooral voor de geschiedenis van het theater. Vorig seizoen nog bouwde hij, naar het voorbeeld van de zestiende-eeuwse wetenschapper Giulio Camillo, Het theater van het geheugen. En de bordkartonnen en uit triplex gezaagde rekwisieten in zijn befaamde 'speelgoedvoorstellingen' verwezen zowel naar de houterige decorstukken van weleer als naar de manier waarop kinderen spelen. Spelende kinderen zeggen: 'Toen was ik de prinses en jij was de koning.' Zo gaan ook de acteurs in Swartes voorstellingen te werk: overduidelijk acterend en toch met kinderlijk speelplezier.

Voor een regisseur met een dermate uitgesproken fascinatie voor geschiedenis en fictie, voor fantasie en werkelijkheid is De Bedelaarsopera een heerlijke klus. In de eerste plaats omdat Gay's drama een toneelstuk in een toneelstuk is. De acteurs zijn bedelaars, die een stuk opvoeren om aan de kost te komen. In de tweede plaats omdat John Gay met verschillende dramatische genres speelt. Zo bevat De bedelaarsopera - die geen echte opera is, maar een blijspel gelardeerd met liedjes - volgens Swarte elementen uit de zogenaamde Christmas pantomimes. Dat waren revue-avonden rondom een bekend verhaal, die in de kersttijd werden opgevoerd. Rieks Swarte wil geen revue van zijn enscenering maken, maar de snelle opeenvolging van tekst en liedjes doet er wel aan denken, evenals het gechargeerde spel. “De figuren moeten zo plat mogelijk worden getekend,” zegt de regisseur. “Zo komt de confrontatie van tegengestelde karakters het best uit de verf.”

Parodie

Revue-achtig zijn ook de knipogen naar het publiek. Naar vorm en inhoud is De Bedelaarsopera ook een parodie op de Italiaanse barokopera, die door Georg Friedrich Händel met groot succes in Engeland was geïntroduceerd. John Gay verving de goden, halfgoden en aristocratische helden uit de opera door figuren uit de onderwereld. Een mars uit Händels opera Rinaldo keert bij John Gay terug als strijdlied van Macheaths roversbende.

In de Italiaanse opera droegen de zangers kostuums die van de kostbaarste stoffen waren vervaardigd. John Gay had voor zijn personages eenvoudigere kleding in gedachten en bij Het Zuidelijk Toneel zijn de kostuums zelfs van vodden gemaakt. Rieks Swarte: “Kostuumontwerpster Carly Everaert heeft bijvoorbeeld voor pa Peachum drie mannenvestjes over elkaar genaaid en die binnenstebuiten gekeerd. Het materiaal is het goedkoopste van het goedkoopste: het komt van het Leger des Heils.”

Twee weken voor de première repeteert Swarte met zijn troep in een te klein zaaltje van Het Zuidelijk Toneel. Het barokorkestje is er ook, met Hans Thissen achter het klavecimbel. Ron Ford, de Amerikaans-Amsterdamse componist die de muziek van Christopher Pepusch bewerkte, luistert mee. Omdat de liedjes door acteurs gezongen worden en niet door professionele zangers, past hij zijn composities steeds weer bij hun mogelijkheden aan.

Fords bewerking staat dichter bij het origineel dan die van Kurt Weill of Benjamin Britten. Steeds schemeren Pepusch' melodieën, die op hun beurt gebaseerd zijn op aria's van Purcell en Händel en op overbekende titels als 'Greensleeves', door Fords muziek heen. De ongebruikelijke instrumentatie en de springerige ritmes doen aan Strawinsky's Pulcinella denken, maar Fords compositie klinkt serieuzer. “Ik wist,” zegt hij, “dat Rieks Swarte iets snels en rommeligs op het toneel wilde doen en dat hij veel grappen wilde uithalen. Daarom heb ik de muziek juist nèt grappig gemaakt, maar mooi en droevig. Het grappige zit 'm vooral in het contrast tussen muziek en personages.”

Na een repetitie in Veenendaal reist Swartes gezelschap per trein naar huis. In de restauratiewagen zingen zij de liedjes van Polly, Lucy, Peachum en Macheath. Andere reizigers spitsen hun oren; het scheelt niet veel of de restauratiewagen is in een theater omgetoverd. Op het perron in Amsterdam zegt Rieks Swarte: “Laatst zag ik hier voor het station een arm punkmeisje. Ze had een vioolkoffer voor zich staan en speelde een prachtige sonate van Bach. Zelfs de trommelaars waren opgehouden met drummen. Toen het was afgelopen kreeg ze een daverend applaus en dat maakte haar helemaal confuus. In de ouverture wil ik een van de violisten een bedelaarsact laten doen, zijn spel moet op dat van het punkmeisje lijken. Het wordt iets heel moois, dat is zeker.”