Fax aan de moeder; Het scheppingsvermogen van Maria Gorbatsjova

Dit is de tekst van een voordracht die Harry Mulisch hield bij de uitreiking van de ECI-prijs voor literaire essays op 7 december in Amsterdam.

Waarde mama!

Zojuist heb ik je gebeld, maar de portier zei dat je met een paar andere dames uit het tehuis een dagje naar de Hoge Vuursche bent, 'om naar de herfstkleuren te kijken'. Mooi idee, maar ik heb geen geduld om tot vanavond te wachten, ik ben totaal in verwarring; daarom schrijf ik het nu maar op, dan ben ik het kwijt. Ja, ik ben alweer thuis, mijn reis is geëindigd in een catastrofe. Ik vraag mij af wat mij bezielde toen ik op dat idiote voorstel inging. Je zoon is een weliswaar omstreden maar toch algemeen geacht letterkundig redacteur bij een algemeen geachte courant, daar heeft hij zich altijd bij gehouden, - een zestigjarige vrijgezel, die links en rechts artikelen organiseert en die sinds jaar en dag elke week ook zelf een roman leest en bespreekt, - geen opwindend leven, nee, maar er zijn beroerder levens denkbaar.

Toen vorige week tijdens onze wekelijkse redactielunch plotseling het bericht kwam, dat Willem Zwartkampf geveld was door een hartaanval en op de intensive care lag, had ik me natuurlijk niet moeten laten bepraten. Dat interview was zijn idee geweest, echt een idee dat alleen hij kon krijgen; politiek lag het allemaal nogal gevoelig, maar na allerlei gecompliceerde onderhandelingen met de Russische ambassade in Den Haag en de Nederlandse in Moskou was het eindelijk gelukt een afspraak te maken. Hij zou de volgende dag vertrekken en er moest dus onmiddellijk iemand voor hem invallen. Maar wie? Alle andere goede interviewers werkten al voor andere kranten. Een schrijver dan misschien? Daar verzette ik mij tegen. Een goede interviewer, zei ik, was iemand die zich helemaal open kon stellen voor een ander; hij stuurde het gesprek natuurlijk en later gaf hij het vorm, maar uiteindelijk moest hij toch zoiets zijn als een camera obscura, een oog: een donkere kamer met een pupil, waar het beeld van de ander helder doorheen viel - zij het ondersteboven. Een schrijver daarentegen, legde ik mijn collega's uit, was bijkans het tegendeel van een interviewer: hij gaf uitdrukking aan zijn bedoelingen en hij zou de ondervraagde onherroepelijk veranderen in een aspect van zichzelf, - althans, wanneer hij een goede schrijver was; maar met een slechte schrijver konden wij natuurlijk ook niet in zee gaan. Nadat ik was uitgesproken, keek de hoofdredacteur mij strak aan, met een spoor van ironie in zijn blauwe ogen die zo goed kleurden bij zijn dikke, witte haar. Terwijl hij aan zijn zegelring draaide, vroeg hij waarom ik het dan zelf niet deed als ik het allemaal zo goed wist.

Als literair criticus was ik toch ook iemand die zich kon openstellen voor anderen, ik had een vlotte pen en ook verder zou het mij geen kwaad doen als ik eens een frisse neus haalde. Nee? Kon het geen kwaad? Als ik niet thuis zit te lezen of te schrijven, in mijn werkkamer die sinds mijn studententijd niet veranderd is, of bij jou op bezoek ben, dan zit ik op de redactie. Maar zo ben ik nu eenmaal bedoeld, ik wil niet anders. Toen ik tegenwierp dat ik volkomen onvoorbereid was, wuifde hij dat weg: het komende etmaal zou daar nog voldoende gelegenheid voor zijn, veel was er trouwens niet voor te bereiden in dit geval, en ik moest het leven van een echte, dus oppervlakkige journalist maar eens leren kennen. Hoe het zij, misschien kwam het door de fles Santenay, die ik inmiddels bij de hazerug had gedronken, ik weet het niet, - bij de armagnac liet ik mij in elk geval overhalen.

D e volgende dag in alle vroegte zat ik dus tot mijn eigen verbijstering in het vliegtuig naar Odessa, met in mijn koffer een bandapparaat van de krant.

Ik had besloten, mij dan inderdaad maar onvoorbereid in het gesprek te werpen. Onafgebroken stonden boven Duitsland en Oost-Europa wolken als reusachtige slagroomtorens opgericht, waarin ik monsterachtige hoofden herkende, zoals op de schilderijen van Arcimboldo, die in de zestiende eeuw zijn portretten samenstelde uit vruchten en groente, potten en pannen, of uit allerhande dieren. Terwijl op zijn schilderijen nergens iets menselijks te bekennen valt, zijn het toch gezichten en zo is het ook bedoeld, maar ook die wolken vormden gezichten: waren die dus ook zo bedoeld? Vormen wolken een godsbewijs? Dat soort dingen behoort tot de raadselachtigheden van de wereld waarin wij leven, en waarin zoveel om verklaring vraagt - bijvoorbeeld ook de omstandigheid dat onze ingewanden, onze lever, onze nieren, een bepaalde kleur hebben. Waarom? Wat is de zin daarvan? Men houdt niet op zich te verbazen.

Boven Rusland maakten de dramatische taferelen plaats voor een gesloten, verblindend wolkendek. Terwijl ik naar de golvende deken staarde, waaronder alles grauw moest zijn, dacht ik aan de onvoorstelbare veranderingen die Gorbatsjov daar beneden had aangericht. Voor mij, als boekenmens, die nu eenmaal via de literatuur pleegt te denken, werd het verschil tussen de communistische tijd en de huidige periode vertegenwoordigd door het verschil tussen Tolstoj en Dostojevski. Tijdens het Sovjetregime was de armoedzaaier Dostojevski vrijwel een verboden schrijver, terwijl de grootgrondbezitter Tolstoj in het allerhoogste aanzien stond. Het heldere, moraliserende, didactische werk van de graaf schikte de volkscommissarissen beter dan de woeste religieuze, halfwaanzinnige vertellingen van de epilepticus. Maar het Rusland van na de omwenteling is niet tolstojaans meer, het vertoont onmiskenbaar het karakter van Dostojevski's demonische romans - tot mijn esthetische genoegen, overigens. Misschien omdat ik zelf een nogal tolstojaans karakter heb, is mijn voorkeur altijd uitgegaan naar Dostojevski; op mijn schoot, daar in dat vliegtuig, had ik het exemplaar van De idioot dat je mij op mijn achttiende verjaardag hebt gegeven. De vertaling is allerbelabberdst, later verscheen een veel betere, maar voor mij was dat niet meer de Dostojevski die mij veertig jaar geleden had meegesleept, toen ik ook Berdjajev las, en Schubarts De komende Europeesche Mensch. Allemaal schandelijke boeken, die opeens weer actueel zijn geworden.

Op het vliegveld van Odessa werd ik afgehaald door een zekere Vladimir Belinski, de tolk die de krant via de universiteit van Moskou had geregeld: een kalende, onderdanige man met een zwarte snor, twee hoofden kleiner dan ik - maar dat is men al gauw. Wij moesten hollen om onze aansluiting niet te missen. In de oude Toepolev van Aeroflot vlogen wij over de Zwarte Zee en de Krim, en hij vertelde dat hij ook romans en novellen had geschreven; voor alle zekerheid vroeg ik niet of ze ook gepubliceerd waren. Hij klaagde voornamelijk over de rampzalige ontwikkelingen in zijn land. Voor hem was Gorbatsjov niet de bevrijder, maar eerder de verknoeier. Sinds zijn optreden was alles eigenlijk slechter geworden; je kon nu een hamburger kopen, en de International Herald Tribune, maar de huren en de kosten voor het levensonderhoud waren onbetaalbaar geworden, de criminaliteit onbeheersbaar en overal stak het fascisme zijn kop op in het voormalige antifascistische bolwerk. Ik verdacht hem er van, dat hij eigenlijk terugverlangde naar de dagen van Brezjnev en misschien zelfs Stalin. De enige goede opmerking die hij maakte - ik weet niet meer hoe wij er op kwamen - was, dat je nooit een hoed moest dragen als je kaal was, want als je hem afzette gaf dat iedereen een shock. Nu, tot alle rampen die mij bedreigen, hoort in elk geval niet het kaalworden: ik heb gelukkig niet papa's haar, maar het jouwe, dat op je vijfentachtigste nog vrijwel net zo dik is als toen ik een kind was.

Die avond in Stavropol ('Stad van het Kruis') kon ik in het hotel nog net een warme worst met een snee zwart brood krijgen; omdat Belinski mij verveelde, ging ik daarna meteen naar bed. Wat een ellende! 's Nachts om vijf uur was ik plotseling klaarwakker en gedurende anderhalf uur kreeg ik gelegenheid om na te denken over mijn absurde aanwezigheid daar in de Kaukasus, als invaller voor een hartpatiënt. De volgende ochtend bracht een boemeltrein ons door een glooiend, vruchtbaar akkerlandschap naar Privolnoje ('Vrij'), een landbouwnederzetting met een paar duizend inwoners. Blijkbaar om de zaak een feestelijk tintje te geven, werden wij van het station afgehaald door een politie-auto met twee agenten, allebei met een sigaret tussen hun lippen en een brutale pluk haar onder de klep van hun pet uit. Zo, onder gewapend escorte, werd je zoon naar het geboortehuis van Michail Gorbatsjov gebracht, waar zijn moeder nog steeds woont.

J a, wat denk je aan wie ik denken moest toen ik haar zag? Niet dat zij op je leek, maar zij was ongeveer even oud als jij en in haar bruine ogen stond diezelfde blik van iemand die van niemand meer iets hoefde te leren. In de kleine, eenvoudige huiskamer zaten nog meer mensen, familie en buren, waar zich ook de twee politiemannen bij voegden, hun petten nu nog verder op hun achterhoofd geschoven. Maria Gorbatsjova, geboren Pantelejevna, was kennelijk van plan de zaak snel af te handelen; terwijl iedereen stil werd, keek zij mij met haar handen gevouwen in haar schoot afwachtend aan. Het overrompelde mij en ik wist opeens niet meer, hoe ik moest beginnen. Toen ik het bandapparaat in orde had gebracht viel mijn oog op twee donkere iconen, die naast elkaar boven haar hoofd hingen; rondom elke icoon was het behang iets lichter gekleurd, alsof er ooit lijsten omheen hadden gezeten. Ik wees er op en zei, dat het leek of de heiligen een bovennatuurlijke uitstraling hadden. Zij gaf antwoord op mijn vraag, maar niet op mijn lach:

'Tot de invoering van de perestrojka door haar Misja,' vertaalde Belinski, 'hingen daar de portretten van Lenin en Stalin overheen.'

Perplex keek ik haar aan. Ik had het gevoel, dat ik nu evengoed kon opstaan en naar huis terugkeren: met die ene zin was alles eigenlijk al gezegd. Het duurde even eer ik mijzelf weer onder controle had. Cherchez la mère, dacht ik en vroeg of zij van meet af aan de bedoeling had gehad, met haar zoon het Sovjetsysteem omver te werpen, de Berlijnse Muur te slopen en een nieuw tijdperk in te luiden, waar achteraf niet iedereen al te gelukkig mee was.

Verwonderd keek zij mij aan.

'Hoe bedoelt u?'

'Zoals ik het zeg. U bent het immers die Michail Sergejevitsj ter wereld heeft gebracht, zonder u en uw man was het allemaal niet gebeurd, - maar vooral niet zonder u. Wanneer heeft u voor het eerst het idee voor uw zoon gekregen?'

Nadat Belinski mijn woorden had vertaald, viel er een ongemakkelijke stilte in de kamer. Iedereen keek mij aan of ik niet goed wijs was.

'Maar meneer,' zei mevrouw Gorbatsjova, 'toen Misja verwekt werd en toen ik hem droeg, wist ik toch nog niet wat er uit hem zou worden. Ik wist niet eens of ik een jongen of een meisje zou krijgen.'

Nu was het mijn beurt om verbaasd te zijn.

'Hoe moet ik dat begrijpen? Gedurende negen maanden maakt u met uw eigen vlees en bloed een mens, en dan zou u niet weten waar u mee bezig was? Het is toch niet zo, dat u maar wat deed.'

Men wisselde blikken en keek toen weer naar mij.

'Maar wat deed...' herhaalde zij, in verwarring gebracht. 'Nee... ja... Ik deed eigenlijk helemaal niets, het ging allemaal vanzelf. Hoe moet ik het zeggen? Ik was eenvoudig zwanger, ik deed alles wat ik anders ook deed, boodschappen doen, eten koken, maar intussen werd ik steeds dikker en op een nacht werd Sergej Andrejevitsj wakker doordat Misja in mijn buik tegen zijn rug schopte.'

'Misja dus.'

'Misja, ja. Alleen wisten wij op dat moment nog niet dat het Misja was.'

Ik schudde mijn hoofd.

'Hier klopt iets niet. Ik kan mij voorstellen dat u niet uit de school wilt klappen, dat u uw drijfveren voor uzelf wilt houden,- dat respecteer ik en als de zaken zo liggen, zal ik verder natuurlijk niet aanhouden. Maar het wil er bij mij niet in, dat iemand iets kan maken zonder te weten wat hij maakt, als het ware bewusteloos, in trance; dat lijkt mij een rijkelijk romantische opvatting.'

Zij richtte zich een beetje op.

'Eerlijk gezegd weet ik niet waar u het over hebt, meneer. Sergej Andrejevitsj en ik wilden een kind, of misschien eigenlijk dat niet eens, maar dat het dit kind zou worden wisten wij in elk geval niet.'

Was zij doortrapt? Dom? Seniel? Het was toch uitgesloten, dat de creativiteit zo'n stompzinnige aangelegenheid zou zijn, waar het verstand in laatste instantie geen deel aan had! Dat druiste in tegen alles waar ik mijn leven lang voor heb gestaan. Ik vertelde dat ik boekbespreker was en dus zo mijn ervaring had met het menselijk scheppingsvermogen. Romanschrijvers, zei ik, beweerden ook wel eens dat soort dingen, maar ik had dat altijd als koketterie beschouwd. Zij wilden zich graag etaleren als bevlogenen door de Muze, die door hen heen werkte als een macht die groter was dan zijzelf waren, terwijl zij in werkelijkheid natuurlijk precies wisten wat zij deden.

'Misschien,' zei Belinksi plotseling in het Nederlands, waarna hij het in het Russisch herhaalde, 'is het bij schrijvers toch ook zo. Misschien is de schrijver niet de vader van zijn roman, maar de moeder, en misschien is de Muze nu juist de vader, terwijl geen van beiden eigenlijk weet wat hij doet.'

Ik wierp een geërgerde blik op hem. Wat verbeeldde die kerel zich? Hij had hier het intermedium te zijn en was niet ingehuurd om eigen meningen te ventileren, - maar iedereen in de kamer knikte instemmend. Ik voelde mij geïsoleerd en ik deed wat men in zo'n situatie doet: ik ging in de aanval.

'Clara en Aloys Hitler,' zei ik, terwijl ik een zweetdruppel langs mijn slaap voelde druipen, 'wilden de joden uitroeien en daarmee basta. Dat staat vast, en wie ook maar even zijn verstand gebruikt zal er mee instemmen. Anders hadden zij Adolf niet verwekt. Ook die twee heiligen daar aan de muur zijn natuurlijk op die manier ontstaan, maar ook Lenin en Stalin en u en ik en Michail Gorbatsjov, die ik nog steeds bewonder als misschien wel de grootste staatsman van de eeuw,- een ongeëvenaarde prestatie, waarvoor ik u namens de hele mensheid in dezelfde mate dank wil zeggen als ik Clara Hitler vervloek.'

Vragend keek Belinski mij aan, om zich er van te vergewissen of ik mijn woorden inderdaad vertaald wilde zien. Ik knikte, en het was alsof de film plotseling bleef haken in de projector. Nergens bewoog meer iets. Alle ogen waren op mij gevestigd. Toen in een naburige kamer plotseling een hond begon te blaffen, misschien geschrokken van de ingevallen stilte, kwam mevrouw Gorbatsjova moeizaam overeind, strekte een wijsvinger naar mij uit, keek om zich heen en zei:

'Die vent is gek.' Nadat zij steunend op een stok de kamer verlaten had, ging een van de politiemannen naar de telefoon en voerde een nogal lang gesprek, dat Belinski niet voor mij vertaalde. Om het kort te maken: ik werd het land uitgegooid, het ontbrak er maar aan dat ik werd geboeid. Terwijl Belinski onderweg in alle talen zweeg en aantekeningen maakte in zijn notitieboekje, bracht de politie-auto ons naar Stavropol, in het hotel moest ik onmiddellijk mijn koffer pakken, waarna ik op het eerstvolgende vliegtuig werd gezet.

De auto wachtte op het platform tot het toestel opgestegen was.

L ieve mama, op dit moment kijk je naar de herfstkleuren, maar bel mij alsjeblieft op zodra je deze fax hebt gelezen en zeg mij dat ik niet gek ben. Anders moet ik mijn hele levenswerk herroepen, dan zijn al mijn recensies onzin geweest. De absurde theorie van Belinski, dat schrijvers en moeders niet weten wat zij doen, is toch een belediging van zowel schrijvers als van moeders! Dat zou de kunst en het moederschap toch veranderen in iets beestachtigs! Dan zou de kunstenaar eerder een hond zijn dan een god! Jij bent het, die mij met één woord van mijn verwarring kunt verlossen: zeg mij, dat jij en papa mij bedoeld hebben, en niet een ander, of zo maar iemand, Belinski bijvoorbeeld,- bezweer mij, dat jullie niet maar wat deden en wel zouden zien wie het zou worden. De wereld is toch geen casino, het leven toch geen roulette! Hoe zouden wij elkaar dan nog onder ogen kunnen komen? Het kind gebruikt toch niet eenvoudig zijn moeder om te worden wat het is, als een parasiet? Dat zou toch schandelijk zijn!

Neem mij niet kwalijk, ik struikel over mijn woorden, ik houd op en blijf bij de telefoon zitten.

Hopelijk voor altijd je liefhebbende zoon.

Toegift: Belinski's notitie

Een roman kan op het eerste gezicht uitsluitend een beeld geven van een wereld, waarin geen toeval bestaat en alles tot in de kleinste kleinigheden is voorbestemd, ook het schijnbaar toevallige, want hij is gecomponeerd door een alwetende en almachtige verteller. Maar zoals de fysische werkelijkheid - naar ik heb begrepen - grotendeels causaal is bepaald, maar ook onderhevig is aan fundamentele quantumonzekerheden, zo gebeuren ook tijdens het schrijven van een roman onophoudelijk dingen, die de verteller niet had voorzien. Alleen door zijn onvoorspelbare ontstaanswijze kan een roman een getrouw beeld van de wereld geven.

Amsterdam/Freiburg, november 1993