Een miljard per week

EEN RECORDBEDRAG van elf miljard gulden heeft de eerste staatslening opgebracht die is uitgeschreven om de financieringsbehoefte van de rijksoverheid in 1994 te dekken. Met bakken tegelijk stroomde het geld binnen bij het Agentschap van het ministerie van financiën dat de inschrijvingen op de staatsleningen regelt. Tegen een rente van 5,75 procent, het laagste renteniveau dat de overheid in bijna dertig jaar voor een staatslening betaalt. In 1965, de tijd van Witteveen en Vondeling als ministers van financiën, lag de rente ook zo laag. In hun voetspoor treedt nu minister Kok.

Hoewel: in die tijd ging het om bescheiden bedragen. Het overheidstekort was beperkt, de staatsschuld gering. Nu bedraagt de staatsschuld tachtig procent van het bruto nationale produkt en moet de overheid in 1994 vijftig miljard gulden op de kapitaalmarkt lenen om het financieringstekort en de aflossingsverplichtingen in 1994 te kunnen dekken. Bijna een miljard gulden per week - en ook dat is een record.

Ruim zestig procent van de jongste staatslening is door buitenlanders gekocht, waarmee het proces van internationalisering van de Nederlandse overheidsschuld verder doorzet. Het wordt gezien als bewijs van vertrouwen in de Nederlandse gulden. Zeker, maar vertrouwen is in de financiële markten een grillig begrip. Men moet er niet aan denken dat het sentiment in het buitenland ten aanzien van Nederland omslaat en deze obligaties massaal gedumpt worden. Dan komt de gulden onder druk, stijgt de rente en heeft Nederland hetzelfde probleem als eerder dit jaar Frankrijk, Italië of België.

HET SUCCES van de tienjarige staatslening toont aan dat aan kapitaal geen gebrek is. In dat licht bezien doet het plan van Jacques Delors, voorzitter van de Europese Commissie, om met de uitgifte van nieuwe Euro-obligaties de economie van de Unie aan te zwengelen dan ook buitengewoon overdreven aan. In de tweede plaats toont het lage renteniveau aan dat de rente niet kan worden aangewezen als zondebok voor de economische recessie. Maar als de staat elf miljard gulden tegen 5,75 procent kan lenen, is er kennelijk weinig vraag uit de particuliere sector naar kapitaal voor investeringen. Dat is een zorgelijk teken. Zoals het ook zorgelijk is te bedenken dat de overheid geld leent om een begroting sluitend te maken die voor eenderde uit overdrachtsuitgaven bestaat. Lenen is uitstel van belastingheffing. In de tijd van Witteveen en Vondeling lag dat toch even anders.