Economische koers in EU wordt minder vrijblijvend

BRUSSEL, 10 DEC. De Europese integratie passeert vandaag alweer een historische mijlpaal. Voor het eerst buigen de regeringsleiders van de 12 lidstaten van de Europese Unie zich op hun top in Brussel over 'de globale richtsnoeren voor het economisch beleid van de lidstaten en van de gemeenschap'. Nu het verdrag van Maastricht in werking is getreden en op 1 januari de tweede fase van de economische en monetaire unie (EMU) ingaat, wordt dat een jaarlijkse exercitie voor de regeringsleiders.

De afgelopen jaren al stelden de lidstaten zogenoemde convergentieplannen op. Daarin geven zij aan welke economische en monetaire koers zij willen volgen om over een paar jaar te kunnen voldoen aan de toelatingseisen voor de ene Europese munt. Die plannen worden vertrouwelijk besproken door de ministers van financiën.

Met het vaststellen van globale richtsnoeren en de daaraan verbonden controle op naleving ervan, wordt de economische en monetaire samenwerking opeens een stuk minder discreet en vrijblijvend. Lidstaten die uit de pas lopen - en bijvoorbeeld een beleid volgen dat “de goede werking van de EMU in gevaar dreigt te brengen” - lopen voortaan het risico van een openbare berisping (in de vorm van “de nodige aanbevelingen”, zoals het in het Verdrag van Maastricht wordt geformuleerd).

Dat de lidstaten die versterking van de gemeenschappelijke aanpak ernstig nemen, blijkt wel uit de tekst waaraan de regeringsleiders vandaag formeel “een conclusie” moeten verbinden. Die is op sommige punten namelijk veel minder expliciet dan het ontwerpvoorstel voor de richtsnoeren voor 1994, dat de Europese Commissie begin november presenteerde - het gevolg van soms minutieuze exegese-arbeid van de ministers van financiën in de afgelopen weken. Zo is de aanbeveling dat de Europese Unie tot het jaar 2000 ten minste 15 miljoen nieuwe banen moet scheppen, afgezwakt tot de minder dwingende zinsnede: “Om de werkloosheid tegen het jaar 2000 bijvoorbeeld te halveren, moeten minstens 15 miljoen nieuwe arbeidsplaatsen worden gecreëerd”.

Voor de liefhebber zijn meer voorbeelden te vinden van passages die zijn aangepast aan de politieke realiteit. Zo staat in de uiteindelijke tekst dat een rentedaling “een belangrijke factor” zou vormen voor verbetering van de korte-termijnvooruitzichten van de gemeenschap. In de versie die afgelopen zondag werd besproken door de ministers van financiën, stond nog dat rentedaling “het belangrijkste instrument” is voor het verbeteren van de korte-termijnvooruitzichten. Maar dat woordgebruik wekte te veel de indruk alsof de rente politiek manipuleerbaar is en niet wordt bepaald door de onafhankelijke centrale banken. De Europese Commissie stelde aanvankelijk ronduit voor om te praten over de wenselijkheid van een rentedaling van “twee à drie procentpunten” als belangrijk signaal naar de markt. Ook werd daarbij nog met name verwezen naar Duitsland, iets wat minister Waigel van financiën niet erg op prijs kon stellen.

Op het punt van de inflatie hebben de richtsnoeren een soortgelijke aanpassing ondergaan. De Europese Commissie stelde een formulering voor waarbij een na te streven inflatiecijfer van “niet hoger dan 2 tot 3 procent” wordt beschouwd als prijsstabiliteit. De regeringsleiders zien vandaag de zin onder ogen dat de inflatie in 1996 in de meeste lidstaten niet hoger zou mogen liggen dan 2 à 3 procent, “bij wijze van tussenstap naar prijsstabiliteit in de gemeenschap”. Die laatste toevoeging komt ook meer in de buurt van de opvatting van Alexandre de Lamfalussy, de nieuwe president van het Europese monetaire instituut (EMI). Die vindt een inflatieniveau van 1,5 à 2 procent het maximum voor geëindustrialiseerde landen als Duitsland en Frankrijk, zo zei hij vorige maand in het Europese Parlement.

Bij de Europese commissie worden de ingrepen van de ministers van financiën overigens niet louter negatief beoordeeld. “Dat laat in ieder geval zien dat de politici zich niet zomaar aan iets willen verbinden, dat ze niet waar kunnen maken. Ze nemen die richtsnoeren uiterst serieus en dat is een goede zaak”, aldus een ambtenaar. In de 'richtsnoeren' bevestigen de lidstaten hun in het Verdrag van Maastricht vastgelegde verbintenis aan het tijdschema voor de inwerkingtreding van de derde en laatste fase van de EMU. Een vereiste is dat het financieringstekort is teruggebracht tot 3 procent. “De meeste lidstaten zijn in staat om die doelstelling in 1996 te bereiken, terwijl andere meer tijd nodig zullen hebben.”

De lidstaten wijzen ook op het belang van loonmatiging. De ontwikkeling van de lonen moet gelijke tred houden met de verbetering van de rentabiliteit van de investeringen en van het concurrentievermogen van het Europese bedrijfsleven op de wereldmarkten. De noodzaak om nieuwe banen te scheppen staat op korte termijn “geen stijging van de reële lonen in de meeste lidstaten toe en zij kan in sommige sectoren van de economie zelfs tot een daling van de reële lonen leiden”. Alleen Griekenland heeft nog moeite met die passage: het meent dat economisch herstel van de gemeenschap gepaard moet gaan met een positieve ontwikkeling van de reële lonen.

In het Witboek over 'groei, concurrentiekracht en werkgelegenheid', vandaag het belangrijkste gespreksonderwerp op de Europese top, pleit de Europese Commissie voor drastische vermindering van de loonkosten, met name voor de laaggeschoolde beroepen. De belasting- en sociale premiedruk zou moeten worden verschoven van de factor arbeid naar zaken als energie, consumptiegoederen en inkomsten uit kapitaal. In de bindende richtsnoeren wordt echter niet gesproken over de wenselijkheid van een CO-heffing of een bronheffing op rente, zoals in het Witboek. Er staat alleen neutraal: “Waar passend moeten de lidstaten zich meer inspannen om de indirecte arbeidskorten voelbaar te verminderen, zodat een beter evenwicht tussen de kosten van de verschillende produktiefactoren kan worden bereikt”.

Dezelfde terughoudendheid wordt betracht bij de aanbeveling om het stelsel van sociale zekerheid te saneren: de lidstaten wordt “verzocht om na te gaan in hoeverre een aanpassing van de financieringsmethode van hun sociale beschermingsstelsel, gekoppeld aan saneringsmaatregelen, zou kunnen bijdragen tot de bevordering van de werkgelegenheid”.

De ministers van financiën mogen vandaag voor tekst en uitleg aanschuiven bij de regeringsleiders in Brussel als er wordt gepraat over de richtsnoeren. En ze mogen blijven zitten als de financiële aspecten van het Witboek van Delors aan de orde komen, zoals het voorstel om nieuwe Euro-obligaties uit te geven voor de aanleg van grote infrastructurele netwerken. Maar daarna moeten de ministers afhaken. Ze zullen er in ieder geval niet bij zijn als de Franse president Mitterrand financiële compensaties gaat eisen voor de boeren wegens het landbouwakkoord met de Amerikanen, zoals de verwachting is. Delors heeft eergisteren al gezegd dat die claim de Europese Unie niet voor onoverkomelijke financiële moeilijkheden zal plaatsen.