De Mekka's en Medina's van de blues; Martin Schouten in het Amerikaanse Zuiden

Martin Schouten: Het Blues Museum. Uitg. De Bezige Bij, 202 blz. Prijs ƒ 36,50.

Over Route 66 valt niets nieuws meer te vertellen; de legendarische, inmiddels grotendeels verdwenen autoweg van Chicago naar Los Angeles is tot vervelens toe nagereisd en tot de laatste centimeter beschreven. Gelukkig zijn er nog andere wegen in Amerika die stof leveren voor onderhoudende verhalen. Highway 61 bijvoorbeeld, waarover Volkskrant-journalist Martin Schouten schrijft in Het Blues Museum, het verslag van een reis die hij in 1992 maakte door het Zuiden van de Verenigde Staten.

Highway 61, bij de popliefhebber bekend van de gelijknamige surrealistische song van Bob Dylan, loopt van Mississippi naar Michigan - of om het in muzikale termen te zeggen: van de wieg van de blues (de Delta) naar de plaats waar de blues groot werd (Chicago). Vooral het onderste gedeelte, tussen New Orleans en Memphis, is een pelgrimsoord voor iedereen die gegrepen is door de muziek van bluesartiesten als Charley Patton, Howlin' Wolf en Blind Lemon Jefferson; het is, zoals Schouten het formuleert, 'een soort openluchtmuseum van de blues'.

Niet dat er erg museaal wordt omgegaan met het cultureel erfgoed in de Delta. Het huis van Louis Armstrong in New Orleans heeft moeten wijken voor een parkeerplaats; een stokoude boom uit de tuin van de trompettist is nog de enige herinnering. Het plantagehutje in Clarksdale waar Muddy Waters in 1941 zijn gitaarblues liet horen aan de volksliedjesverzamelaar Alan Lomax, blijkt half verwoest door een tornado. En het ziekenhuis met de sterfkamer van Bessie Smith - ook in Clarksdale - is nu een obscuur hotelletje.

Alleen in het nauwelijks te vinden gehuchtje Three Forks, waar Robert Johnson na een concert stierf door een glas vergiftigde whiskey, wordt de herinnering hoog gehouden: de legendarische bluesgitarist heeft er niet één maar twee grafstenen, op twee verschillende plaatsen. De ene is eenvoudig, met alleen de toevoeging 'resting in the blues'. De andere is een obelisk met daarop onder andere Johnsons beroemdste regels 'You may bury my body by the highway side/ so my old evil spirit can catch a Greyhound bus and ride' - wat Schouten verleidt tot de opmerking dat Johnsons geest bij deze stille binnenweg dan lang kan wachten.

Geheime burgeroorlog

Het Blues Museum, tot stand gekomen met een bijdrage van de Stichting Fonds Bijzondere Journalistieke Projecten, heeft een verborgen thema. Terwijl Schouten nauwgezet de Mekka's en Medina's van de bluesgeschiedenis afreist en tal van (veelal bejaarde) bluesliefhebbers te spreken krijgt, groeit bij hem het besef van de 'geheime burgeroorlog' waarin Amerika volgens hem verwikkeld is. Dertig jaar na de Burgerrechtenbeweging is de zwarte bevolking er economisch nog steeds slecht aan toe en leven blank en zwart in zelfverkozen segregatie. In de wijken en kroegen waar Schouten de blues zoekt, is hij vaak de enige blanke.

Schouten registreert de sombere toestand in het Amerikaanse Zuiden - eens de voedingsbodem van de blues - in een luchtig geschreven mengeling van reportages, interviews en (innerlijke) monologen. Het meeste van wat hij schrijft over bluesgeschiedenis en politiek is bekend, maar dat maakt zijn verhaal niet minder sympathiek. Vooral de originele beschrijvingen van de stemmen en instrumenten van klassieke bluesmen zijn het waard om gelezen te worden. Zo kenmerkt Peck Curtis zich door 'slagwerkpartijen met de charme van kindertekeningen, een vrolijke neiging om de randen te vullen', en zet Howlin' Wolf bij het zingen 'zijn stembanden als een tang om de laatste lettergreep, alsof het een moer was die eens flink moet worden aangedraaid.'

Het Blues Museum eindigt met een weemoedige conclusie: 'De blues, ach, dat was voorbij,' schrijft Schouten. 'Het is een episode uit de Amerikaanse geschiedenis en misschien ook wel een episode uit ieders leven, zeker het mijne.' Het eerste klopt, het tweede ook. Maar wie Schouten op zijn reis door de Delta gevolgd heeft, kan dat laatste in ieder geval niet geloven.