De humor van de schaamte; Het verschil tussen mr. Bean en Van Kooten en De Bie

Mr. Bean: VPRO, Nederland 3, zo 20.50u, eerst volgende 19 dec.

Mr. Bean behoort tot de personages waar je alles van zou willen begrijpen. Er lijkt aan hem een opvatting over wat leuk is ten grondslag te liggen die Hollanders wel kunnen navoelen, maar niet praktizeren. Ons onvermogen tot het Beanse is onrechtvaardig. Juist kleine taalgebieden hebben Rowannen Atkinson nodig, al is het alleen al omdat hij zich nauwelijks van taal bedient.

Omdat Beans nieuwe afleveringen sinds afgelopen zondagavond op de tv worden uitgezonden op het tijdstip van Krasse Knarren, en wel om en om, zullen er vergelijkingen getrokken gaan worden. Wat heeft Bean dat Van Kooten en De Bie niet hebben; wat hebben Van Kooten en de Bie dat Bean niet nodig heeft?

Het grote, doorslaggevende verschil is dat Bean gaat over goed en slecht, terwijl Krasse Knarren gaat over goed en fout. Uiteindelijk is het bij Van Kooten en De Bie de bedoeling dat je, na de herkenning van het type dat ze uitbeelden, tegen je zelf zegt: Mein Gott, wat zijn Hollanders toch stumperds. Over alles hebben hun types een oordeel (zonder hun opinieerzucht zouden ze niet bestaan), en naar dat oordeel leven ze, en omdat het een benard, van de pot gerukt of streng oordeel is, dat bovendien niet zelden schijnheilig genoemd moet worden, lokken ze ons oordeel uit, en dat is leuk, want je lacht er dikwijls onbedaarlijk om.

Natuurlijk zijn niet alle types van Van Kooten en De Bie kwaadwillend of ergerniswekkend of moralistisch - eigenlijk zijn ze dat verrassend vaak niet, omdat ze worden voorgesteld als deftig, kleinzerig en potsierlijk, maar daar gaat het niet om. Van Kooten en De Bie schetsen zeden; als hun types lukken herkennen we die zeden. Karel Timofeeff, de Knar met de beugelmond, de uit de hand gelopen Maartje 't Hart die zielsgraag soppen wil, het zijn allemaal manieren van doen. Omdat Van Kooten en De Bie mild, en soms ook wel ergerniswekkend aardig zijn, is de afstand tussen hen en wat ze afbeelden Carmiggelts. Veel types 'kunnen nu eenmaal niet anders'. Ze verbazen ons als de hangbuikzwijntjes in de kinderdierentuin. Ze veroorzaken geen drama's, hooguit ongemak, en als ze, meestal gespeeld door De Bie, verontwaardiging moeten veroorzaken, dan zijn ze fout. Ze zouden anders moeten zijn. Ze moeten op hun nummer gezet worden.

Tweede Wereldoorlog

Goed en fout, het zijn de categorieën die we vermoedelijk te danken hebben aan de moeder van al onze morele ongemakken - de Tweede Wereldoorlog. Wie in mei '45 niet gedeporteerd was en ook niet op een lijst had gestaan, en toch ook niets had kunnen uitrichten, moest bij zich zelf te rade gaan. Was het waar dat men, omdat men machteloos was geweest, ook niet verantwoordelijk was?

Deze verantwoordelijkheid voor iets wat men niet met zoveel handelingen gedaan had, is na de oorlog als een soort veenbrand onder de maatschappelijke discussies over grote ethische vragen blijven smeulen, zonder ooit een echte brand te worden. Als hij al eens uitsloeg, dan vooral tijdens symbolische kwesties, zoals die van de Drie van Breda, of het gedrag der voetballiefhebbers na de Europese kampioenschappen in 1988.

Dankzij de speciale aard van onze oorlog kon men achteraf makkelijk zeggen wie de ware veroorzakers van het morele ongemak waren geweest. De Duitsers, dus, plus de categorie Zeer Zichtbaar Collaborerende Nederlanders. Vreemd genoeg werden ze niet zozeer met het predikaat 'slecht' bedacht, maar met 'fout'. En het was dus zaak om, als men niet aantoonbaar in het verzet had gezeten, voor zichzelf het predikaat 'goed' te reserveren.

In deze tweedeling, die in feite zoiets als 'persoonlijke verantwoordelijkheid' buiten discussie hield, is men blijven denken. Als er grote keuzes gemaakt moesten worden, bijvoorbeeld over de plaatsing van kruisraketten, dan was het van urgent belang 'goed' genoemd te kunnen worden. Het tegendeel van dit 'goed' was 'fout', en wat zo genoemd moest worden, was exact even duidelijk als na de bezetting, of tijdens de jaren zestig toen de Amerikanen de symbolische rol van Duitsers hadden overgenomen: fout was iedereen die daadwerkelijk voor de raketten was, of pro-Amerikaans.

Niets is in Nederland zo slecht voor je reputatie als fout zijn, en zo moet je echt Nederlandse humor ook beschouwen, - als dat wat leuk is omdat het duidelijk maakt wat goed is, en wat fout. Cabaret en kleinkunst hebben altijd een belangrijke, zo niet doorslaggevende rol gespeeld in de bepaling van wie deugt en wie niet.

Lachen om Wim Kan, Freek (toen die nog met Bram was en Bloed aan de Paal wilde zien), Van Kooten en De Bie, en vervolgens om de eindeloze, geestdodende stoet die er na kwam, de Spijkermannen, 't Hekken, de Purpers, - het heeft altijd als belangrijke bijbedoeling gehad: als ik hier om kan lachen, dan kan ik niet fout zijn.

Kinderwagen

Wie afgelopen zondagavond de bewuste eerste nieuwe aflevering van mr. Bean heeft gezien, was getuige van een humor die met goed/fout niets te maken heeft, en die toch, in mijn ogen, ook niet vrijblijvend genoemd kan worden (als er al zoiets zou bestaan als vreselijk moeten lachen om iets wat niet hoe dan ook iets met moraal te maken heeft). Het begon eigenlijk meteen al in de eerste minuut, met mr. Bean die, door een onreconstrueerbaar ongelukkig toeval, een kinderwagen compleet met baby aan zijn legendarische Austin Mini haakte. Zonder het te beseffen, uiteraard. Toen hij enige kilometers verderop uitstapte, was hij zeer naarstig van zins om te gaan genieten van een middagje kermis. Daar hoopte je ook hartstochtelijk op: op mr. Bean in een machien.

Maar nu was daar die kinderwagen, hangend aan de Mini.

Het is raar dat zoiets onbedaarlijk grappigs als de drie nauwkeurig van elkaar onderscheiden fasen waarin het tot Bean doordrong wat er precies aan de hand was, en met welk bijna Bijbels noodlot hij nu was opgescheept (alles gebeurt bij Bean in drie, nauwkeurig van elkaar onderscheiden fasen waarin Het Hem Daagt), het is raar dat zoiets zo'n morele strekking kan hebben. Want Beans dilemma was peilloos. Als hij de baby nu een duwtje zou geven, richting menigte babywagens in parkje, dan zou hij er 'van af zijn', en kon het leuke gaan beginnen. Bean in een machien. Enfin, iedereen die wel eens Bean uit de videotheek heeft gehaald kan zich z'n eigen hilarische voorstelling maken van het half uur dat volgde op de keuze die Bean, met de grootst mogelijke weerzin, maakte. Die weerzin, plus de reeks beschaamde pogingen om toch nog ontzettend van de kermis te gaan genieten, zijn eigenlijk als een blauwdruk bedoeld voor buitenaardse wezens die, over tienduizend jaar, willen bestuderen wat Geweten nu eigenlijk is.

Hoe koddig het in deze context ook klinkt, - de humor van Bean is het voortdurende, en zeer precies gecalculeerde en uitgevoerde gevolg van een mogelijk kwaad dat hij zou kunnen begaan. Hij is het onweerstaanbaarst als hij dreigt te doen wat niet mag. Dit was de slapstick van Mozes in het biezen mandje; net als Buster Keaton verbeeldt Bean de Stenen Tafelen van de humor, en brengt hij aan het licht hoe onmogelijk het is om je te onttrekken aan verantwoordelijkheid.

Het draait bij Bean (als het niet louter om slapstick gaat), altijd om iemand die dóór wil gaan met waar hij zich vreselijk op verheugd had, maar iets knaagt. Het is de humor van de schaamte waar, om nog een keer zwiepend te generaliseren, de humor van Van Kooten en De Bie de schaamte juist weg wil nemen door ons het gevoel te geven dat wij niet zijn wie zij uitbeelden.

De een oordeelt, en brengt een scheiding aan tussen ons en de anderen. De ander maakt navoelbaar dat we, als het er op aan komt, dezelfde zijn. Het is het verschil tussen moralisme en, ja wat? Hoe noem je mr. Bean?