De huid duur verkopen

Hebben minister-president Lubbers en zijn Belgische collega, Dehaene, zitten slapen toen eind oktober de Europese Raad besloot het Nederlands niet als een van de officiële talen van het Europese Merkenbureau, dat in het Spaanse Alicante gevestigd zal worden, te erkennen?

Voor de Vlaming Dehaene kan eventueel nog als excuus gelden dat hij niet het verwijt wilde uitlokken als voorzitter van de Raad een particularistisch belang te verdedigen. Zo ja, dan wordt daarmee meteen de mythe gelogenstraft dat het voor een land voordelig is voorzitter van de Europese Gemeenschap (of Unie) te zijn.

Voor de Nederlander Lubbers gold dat excuus in elk geval niet. Hij kreeg pas bedenkingen toen hem, bij terugkeer in eigen land, onder ogen werd gebracht dat dit besluit financiële nadelen zou meebrengen voor Nederlandse ondernemers die een aanvraag om merkbescherming zouden indienen: zij zouden immers, anders dan hun Frans-, Engels-, Duits-, Spaans- en Italiaanstalige concurrenten, hun aanvraag in een van die talen moeten laten vertalen.

Nederland is toen aan de bel gaan trekken, teneinde de gelijkwaardigheid van eigen taal erkend te krijgen. Maar let wel: dit gebeurde niet om principiële redenen, niet omdat Nederland het beginsel van taalgelijkwaardigheid hoog wenste te houden, maar omdat het anders de gevolgen van de aanvaarde ongelijkwaardigheid in zijn portemonnee zou gaan voelen. Een zuiver utilitair, koopmannelijk argument dus.

Daar is op zichzelf helemaal geen bezwaar tegen, maar het is niet voldoende om een prijsgegeven beginsel hersteld te zien. De ministers van buitenlandse zaken van de Europese Unie hebben dan ook op 6 december een compromis bereikt dat weliswaar tot gevolg heeft dat het Nederlandse bedrijfsleven niet of nauwelijks voor hogere kosten komt te staan, maar de gelijkwaardigheid van het Nederlands niet herstelt.

Volgens dit compromis mag elke ondernemer een aanvraag om merkbescherming indienen in de taal van zijn land, zonder dat vertaalkosten in rekening worden gebracht. Bij die aanvraag moet hij een tweede taal opgeven, waarin hij wil procederen indien iemand de registratie van zijn merk betwist. Maar die tweede taal moet dan wel één van de vijf officiële talen zijn.

Een mooi compromis, zal men zeggen, dat bovendien het Nederlandse bedrijfsleven niet in een ongunstige positie tegenover concurrenten brengt. Ja, maar intussen is niet getornd aan de erkenning van het Frans, Engels, Duits, Spaans en Italiaans als talen die, volgens het woord van Orwell, gelijker zijn dan andere talen, waaronder het Nederlands. Dat Nederland dit heeft toegelaten (of op dit punt even niet heeft opgelet) - daar zal het in de toekomst nog vaak aan herinnerd worden.

En dat terwijl er een ander compromis mogelijk was geweest dat zowel de gelijkwaardigheid van alle talen in ere hield als kostenbesparend was (dat wil zeggen: niet de vertaling van elk stuk in acht talen nodig maakte). Volgens dat voorstel zou de aanvrager de taal van (af) andeling bepalen en daarnaast op z'n hoogst nog één andere taal kiezen (niet, zoals in het thans bereikte compromis, noodzakelijkerwijs een van de vijf “grote” talen).

Als dat compromis zou zijn aanvaard, zou het feitelijk gebruik van de negen talen van de Unie beperkt zijn geweest tot twee talen, in wisselende combinatie. Als ervan uitgegaan wordt dat de aanvrager zijn aanvraag in eigen taal indient, zou er slechts in één andere taal (in plaats van in acht andere talen) vertaald hoeven te worden. Doordat die andere taal niet noodzakelijkerwijs een van de “grote” talen hoefde te zijn, zou daarmee het beginsel van de gelijkwaardigheid zijn gerespecteerd.

Dit voorstel, dat per slot van rekening niet gevolgd is, zou tevens als richtsnoer hebben kunnen gelden voor de hele Europese samenwerking (dus niet alleen voor het Merkenbureau). Het compromis dat nu wèl is aanvaard en dat, hoe voordelig overigens ook, het beginsel van taalgelijkwaardigheid schendt, zal zeker precedentwerking hebben in de verdere Europese samenwerking.

Maar moeten we, koste wat het kost, vasthouden aan dat beginsel van taalgelijkwaardigheid? Maakt het die Europese samenwerking op den duur niet onwerkbaar - zeker als er straks drie nieuwe talen (Noors, Zweeds en Fins) bijkomen, om niet te spreken van Pools, Tsjechisch, Slowaaks en Hongaars? Misschien, maar dat mag geen reden zijn voor de “kleine” talen om niet, op z'n minst, een hoge prijs te eisen voor hun inschikkelijkheid.

Het is al eerder gezegd: zelfs in een ideale Europese Unie zullen de kleine volken altijd dit nadeel houden tegenover grote, dat zij klein zijn en de andere groot. Tachtig miljoen Duitse Europeanen en zestig miljoen Franse Europeanen zullen altijd meer gewicht in de schaal leggen dan veertien miljoen Nederlandse Europeanen. Op taalgebied zal dat verschil zich nog duidelijker laten voelen, omdat het Duits, bijvoorbeeld, de taal van veel meer niet-Duitsers is dan het Nederlands de taal is van niet-Nederlanders.

Geen reden om daarom de Europese Unie niet te willen. Wèl een reden voor een klein land als Nederland om, zolang die Unie niet compleet is, zijn huid zo duur mogelijk te verkopen. Dat is, naar het lijkt, met het Europese Merkenbureau niet gebeurd - met gevolgen die niet tot dat Merkenbureau beperkt zullen blijven.

Anders dan zijn Belgische en Nederlandse collega's heeft de Belgische minister van defensie, de Vlaming Delcroix, dit ingezien. Hij heeft, zij het laat, geëist dat in het Eurocorps, waarin België zijn hele landmacht laat opgaan, Nederlands als gelijkwaardige taal naast Frans en Duits zou gelden. Dat heeft tot de nodige hoon in de Franstalige pers geleid, maar hij heeft zijn zin gekregen. (Anders zou het trotse Spanje, dat ook aan het Eurocorps wil meedoen, wel gelijkwaardigheid voor zijn taal geëist hebben, en dan had België niet kunnen achterblijven.)

Nu wordt wel gezegd dat Delcroix ook pas wakker is geworden na protesten buiten het parlement, maar dat doet aan het beginsel niet af. Is het niet mooi dat het volk zijn politici naleving van beginselen afdwingt? Het Duitse weekblad Der Spiegel mag nu wel spotten: “Babylon im Haus Europa”, maar Europa is Babylon.