De griezel

De film Alien hoort tot mijn lijstje van geliefde angstaanjagenden. Een andere geliefde is The Shining. De handeling speelt zich af in een onherbergzame omgeving, respectievelijk een verre ontvolkte planeet en een zomerhotel in de barre winter. Ergens in het verborgene, op een plaats die de aanstaande slachtoffers niet kunnen vermoeden, bereidt een niet nader gedefinieerd onheil zijn dodelijke slag voor. Het decor van Alien komt overeen met dat van The Shining doordat er met zeer grote, lege ruimten is gewerkt. In de eerste film bestaan die uit de laadruimen van het astronautenvoertuig; in de tweede uit de verlaten hal en de eindeloze gangen van het hotel. Het angstaanjagende hoort in beide films niet tot de vertrouwde familie van de Boeman, de Blob en Baas Kinderschrik; het heeft een surrealistische kwaliteit die de toeschouwer zelf kan definiëren, tot vanzelfsprekend op een bepaald punt in het verhaal de makers deze last van hem overnemen. Het moet trouwens mogelijk zijn een 'griezelfilm' te maken waarin het angstaanjagende helemaal niet tevoorschijn komt zodat het publiek tenslotte in onbestemde doodsangst weer de straat opgaat. De verschijning van het angstaanjagende bezorgt de toeschouwers wel de bedoelde schrik, maar op hetzelfde ogenblik weten ze tenminste waar ze aan toe zijn.

Het huiveringwekkende gegeven van The Shining vind ik beter dan dat van Alien. Jack Nicholson is de schrijver die zich met zijn schrijftafeltje en zijn schrijfmachine in het midden van de lege hotelhal heeft gevestigd en daar klinkt uren lang alleen de schrijfmachine. Geen misverstand: hier zit een echte schrijver. De volgeschreven vellen stapelen zich op. Node onderbreekt hij van tijd tot tijd zijn werk voor andere levensbehoeften. Als hij weer eens even weg is, komt zijn vrouw stiekem naar het geschrevene kijken. Hoe goed kan ik me haar ontzetting voorstellen. Daar staat duizenden keren dezelfde zin. De Engelse ben ik jammer genoeg vergeten; ongeveer het equivalent van Jantje zag eens pruimen hangen. O! Als eieren zo groot. In de film verschijnt dan nog een oude mevrouw die als restant van het zomerseizoen in het bad van kamer 264 is achtergebleven en dan zijn we weer terug in de sfeer van het traditionele griezelen. The Shining eindigt met een gewone Amerikaanse filmachtervolging. Daarmee hebben we het surrealistisch onheilspellende van een krankzinnige in een verlaten hotel alweer achter ons gelaten.

In Alien wordt het vacuüm van de dreiging gevuld door het monster. Dat is ontworpen door de Zwitserse kunstenaar H.R. Giger. In Alien I is het maar een paar seconden te zien zodat de toeschouwer met zijn eigen verbeeldingskracht het onzegbaar gruwelijke naar eigen smaak verder kan uitwerken. Omdat deze film een groot succes was, zijn er een II en een III gemaakt, en misschien nog meer. Daarin treedt het monster op, uitvoerig, in de volle glorie van zijn afzichtelijkheid en dan blijkt dat we met de buitenaardse kruising van een paard en een krokodil te maken hebben. Het oorspronkelijke effect is verdwenen (en waarschijnlijk was het onherhaalbaar). Niettemin, alle Aliens zijn kassuccessen.

Nu zag ik een tentoonstelling van Gigers werk.* Hij heeft nog veel meer gedaan: stoelen, tafels, maskers, een bar ontworpen en schilderijen gemaakt. Het is allemaal slikke kitsch, met dikwijls een abstract pornografische inslag. Nu het in een grote verzameling bijelkaar is gebracht, valt ook beter te zien waar hij het vandaan heeft. In de eerste plaats van de Franse graficus en beeldhouwer Hans Bellmer, wiens lijnen hij in zijn schilderijen heeft geleend. In de verte doemt Beardsly op. Alle critici herkenden Dal, sommigen ook Félice Rops. Mij schoot de Duitse politieke tekenaar Paul Weber te binnen, in zijn genre een groot expressionist met Oostindische inkt. Het geheel van Giger was flauw, virtuoos maakwerk. Er was ook een catalogus bij die je moest kopen als je de expositie wilde zien; een toegangskaartje van dertig dollar. Ook handig. De catalogus bevat veel tekst, ronkend.

Ik herinnerde me dat ik bij Alien I danig in angst had gezeten. Niets was er van dat gevoel over. In plaats daarvan was op deze tentoonstelling weer eens te zien hoe iemand die in oorsprong misschien een kunstenaar was geweest, in een virtuoze vondstenaar was veranderd, een fabrikant van steeds meer griezels. Als de duivel make-up gaat gebruiken wordt hij bleker, zeggen de Fransen. Of hoe een talent ten onder gaat aan de inflatie die het zelf heeft veroorzaakt.

* Alexander Gallery, 980 Madison Avenue, New York, tot 23 december.