Winkelleed en winkelvreugd

Een van de meest verbazingwekkende berichten die ik onlangs las, was dat winkelen tegenwoordig als een vorm van vrijetijdsbesteding beschouwd wordt. Voor studenten en docenten in de Vrijetijdswetenschappen is dit waarschijnlijk geen nieuws, maar voor mij was het dat wel, en verbluffend nieuws mag ik wel zeggen. Ik heb winkelen altijd beschouwd als iets van dezelfde orde als naar de kapper gaan of naar de tandarts: het moet soms gebeuren, maar je probeert het zo lang mogelijk uit te stellen.

Nu zijn van vrijwel alle vormen van vrijetijdsbesteding die men niet zelf beoefent de charmes aan buitenstaanders moeilijk uit te leggen. Dat sommige jongeren aardigheid hebben in het betogen vóór of juist tegen de OV-jaarkaart en anderen in het in elkaar slaan van supporters van de tegenpartij, valt nog wel te begrijpen. Maar wat er aardig aan is om een hele dag met een stuk touw in je hand in een klein bootje te zitten of op dunne plankjes van bergen af te glijden is al veel moeilijker uit te leggen. Toch staat vast dat vele miljoenen hierin grote voldoening en vreugde vinden. Al deze genoegens mogen raadselachtig zijn, maar van alle raadselachtige genoegens is winkelen wel het meest raadselachtige.

Wat zou men hierbij precies op het oog hebben? Slaat de enquête op de nachtmerrieachtige taferelen die te zien zijn in straten als de hoofdstedelijke Nieuwendijk of de sleutelstedelijke Haarlemmerstraat waar bonkige pubers samen met hun hoog opgespoten vriendinnen in aardedonkere holen onder infernale geluidsexplosies in bakken en rekken met kleren staan te graaien? Mij persoonlijk lijkt een tijdelijk verblijf in Dante's Hel nog aantrekkelijker, maar voor de velen die het leuk vinden om met koptelefoons op hun hoofd en luidsprekers op hun rug door de stad te lopen of te fietsen, is dit waarschijnlijk een aantrekkelijke vrijetijdsbesteding. Uit de context blijkt echter dat dit niet is wat het onderzoek aan het licht heeft gebracht. Het gaat hier om het zogenaamde gezellige winkelen, ook wel bekend als 'stad-ten', met andere woorden het bezoeken van 'boetiekjes', 'shops' en warenhuizen.

Nu besef ik wel dat niet iedereen reeds bij het betreden van een warenhuis onwel wordt door de eigenaardige lucht - een combinatie van rookworst, koek, parfum en heel veel mensen - die bij het openen van de deur op je afkomt en al spoedig leidt tot misselijkheid, duizelingen, haaruitval en evenwichtsstoornissen. Er zijn mensen die daar tegen kunnen en je hoeft niet naar warenhuizen te gaan als je niet wilt. Maar winkels bezoeken moet iedereen wel eens en dat is al erg genoeg. Het zou misschien niet zo erg behoeven te zijn, maar het is dat wel en dat komt voornamelijk door één oorzaak. Het kost mij enige moeite deze te noemen, maar eerlijkheid duurt nu eenmaal het langst en het hoge woord moet er dus maar uit. Wat winkelen zo afschuwelijk maakt, is het Winkelgedrag van de Vrouw. Er is geen plaats waar dit wezen, dat wij sinds de hoofse dichters uit de Middeleeuwen op een zo verheven voetstuk plaatsen - en terecht - zo vreselijk van dat voetstuk afvalt als in de winkel. Er bestaat geen gruwelijker specimen van dat verder zo aanbiddelijke species dan de winkelende vrouw.

Ik ga er, om de beroemde openingswoorden van Buytendijks De vrouw te citeren, met deze geleerde in principe vanuit dat 'de vrouw een mens is', een redelijk wezen dus. Maar hoe komt het dan dat dit, inderdaad vaak alleszins redelijke, wezen in winkels de meest stompzinnige vragen stelt? “Zijn die aardbeien vers, groenteman? Nee mevrouw, ze zijn bedorven. Zijn die schoenen stevig, juffrouw? Nee mevrouw, ze vallen binnen de kortste keren uit elkaar. Waarom doet u die auto weg? Omdat het een miskoop is en hij vol zit met verborgen gebreken.”

Wat kan iemand denken met zulke vragen te bereiken? Het antwoord is duidelijk: niets. Ze zijn helemaal niet bedoeld om antwoord op te krijgen, maar alleen om de tijd te doden. Zo duurt het winkelen lekker lang en komt men de dag wel door. Laat mij deze theoretische verhandeling illustreren met een eenvoudig voorbeeld uit de praktijk.

Iemand moet een nieuw horlogebandje hebben. Dat is alles. Verder niets. Een kwestie van een paar minuten zou je denken. Maar nee hoor, altijd staan er vrouwen voor je (ze zijn altijd met haar tweeën) en laten het ene bandje na het andere bandje aandragen (ze weten nog niet wat het moet zijn). Niet zelden eindigt dit hele lijdensproces zonder dat ook maar iets wordt gekocht. Nog erger is echter het omgekeerde het geval, namelijk wanneer na eindeloos getreuzel, gezeur en overleg ten slotte in volstrekte verwarring en totale agonie er wèl iets gekocht wordt. Dan begint het pas goed.

Eerst krijgen we het inpakken. Is het een cadeautje? Het is altijd een cadeautje. Moet het in cadeaupapier? Ja graag. Of toch maar liever kerstpapier? Ja, eigenlijk liever kerstpapier. Of toch maar iets neutraals. Inderdaad, iets neutraals is ook nog zo gek niet. En kan het geruild? En is er garantie? En is het wel stevig verpakt? Vervolgens begint het afrekenen. Het zoeken naar de zorgvuldig achter hele series ritssluitingen opgeborgen portemonnee, het zoeken naar gepast geld, het ontdekken dat het duurder is dan ze gedacht hadden (het is altijd duurder dan ze gedacht hadden), met constateren dat ze dus niet genoeg geld hebben, het zoeken naar de girocheques, het zoeken naar het pasje, het uitschrijven in letters en cijfers, het trots tonen van het goede nummer, het opbergen van de kassabon, het opnieuw vragen om de juist overhandigde kassabon, het weer opbergen van de kassabon in de portemonnee en van de portemonnee achter al die ritssluitingen, het opbergen van de zojuist verworven schat in een van de tassen. Enzovoorts en zo verder, zoals ze in België zeggen.

Voor het winkelende wangedrag van vrouwen zijn verschillende oorzaken aan te wijzen. De eerste is dat zij kennelijk te weinig te doen hebben. Het is immers ondenkbaar dat iemand die werkelijk iets om handen heeft op deze wijze zijn - of haar - dagen doorbrengt. De tweede reden is dat zij kennelijk niet gewend zijn over zaken van enig belang te beslissen. Alleen degene voor wie de aanschaf van een horlogebandje voor een achternichtje de grootste beslissing van het jaar of in ieder geval van de maand is, kan hier immers zoveel tijd en energie in steken. De derde reden is dat zij gek worden gemaakt door al die advertenties van kruideniers en grootwinkelbedrijven. Als je hele pagina's in de krant uittrekt om aan te kondigen dat de pasta-choca deze week zeven cent goedkoper is en de kipfilet met vijftien cent korting in de aanbieding, dan moeten huisvrouwen, hoeveel geld ze ook hebben, op den duur wel gaan geloven dat het belangrijk is daarop te letten. En wie zich de hele dag op die zeven of die vijftien cent zit te verheugen, kan natuurlijk niet zonder handenwringen, hoofdpijn en barensweeën een beslissing nemen over vijfentwintig gulden. Dat zijn wel honderd van die aanbiedingen! Met rijk of arm zijn heeft dit niets te maken. Integendeel, mijn even onwetenschappelijke als messcherpe observatie is dat vrouwen uit de zogeheten betere kringen de ergste zijn.

Er is dus maar één oplossing voor dit probleem en wel een simpele: vrouwenemancipatie. Vrouwen die werken beseffen immers wel degelijk dat tijd geld is en winkelen een noodzakelijk kwaad. Die ontdekken ook al snel dat alles altijd duurder is dan je denkt, maar dat het zonde van je tijd is daarover al te lang te zeuren. En ze komen tot het inzicht dat je voor de kleinste belissing niet een paar uur kan uittrekken. Vandaar dit dringend appèl aan de vrouwen van Nederland, Europa en de wereld: “Vrouwen aller landen, emancipeert. U heeft niets te verliezen dan Uw boodschappen.”