Vermomde clichés

Zij hangen gezellig door elkaar op een tentoonstelling in het Mauritshuis: heidense mythen en christelijke vertellingen uit de grote verkleedkist van de westerse schilderkunst. Liefde, list en lijden heet de expositie lokkerig. Er hangen bordjes met toelichtingen bij de schilderijen, zodat de bezoeker althans even een idee krijgt van wat zich afspeelt tussen al die nimfen en verdwaalde krijgers, het feit dat die koe zojuist nog een dame was, en welke dringende boodschap een engel brengt aan een geketende bejaarde.

(Soms doen de teksten op die bordjes denken aan de woordenbrij die je wel eens hoort als er een opera wordt uitgezonden op de radio: De hertogin vermoedt nog steeds niet dat haar verleider niemand anders is dan haar eigen verloofde in vermomming. Terwijl zij raad gaat vragen aan haar voedster, die in het geheim samenspant met de oude Menelaos, die immers de geliefde is van haar zuster, verschijnt met groot gevolg de bisschop van Trente op het toneel... Niet echt verhalen om een traan bij te laten. Je moet het schilderij zien, de muziek horen, dan maak je een kans.)

Mij ontroerden daar in Den Haag twee voorstellingen, naast elkaar aan één muur gehangen, van hetzelfde verhaal: Simeon in de tempel. Simeon is de grijsaard die van God pas hoefde te sterven als hij het kindje Jezus had aanschouwd (Lucas 2:22-39). De schilderijen zijn zo verschillend als men zich maar kan voorstellen. Het kleinste is van Rembrandt, die het tafereel van een afstand beziet, zodat het dramatische moment is ingebed in rustige duisternis. Het ander, drie grote figuren van nabij gezien, is van Rembrandts leerling Aert de Gelder. Het is een veel opzichtiger, theatraler scène, maar ook mooi. Bij het zien van die twee schilderijen wellen in het christelijk opgevoede gemoed meteen de woorden op van Simeons lied: “Nu laat Gij, Here, uw dienstknecht gaan in vrede, naar uw woord...”

Wat een prachtig beeld, zo dacht ik aangedaan, van ouderdom en sterven. Die vervulling aan het einde. Niks aftakeling en ontluistering, nee, zó dood te mogen gaan... en toen ik dat met een brok in de keel tegen mijn metgezel zei, beaamde die, onbewogen: ja, dat is een bekend cliché.

Een cliché verdomme, wie huilt er nou om een cliché?

Maar het antwoord dringt zich op. Clichés zijn bij uitstek de dingen waar je om huilt; iets nieuws zit daar zelden of nooit tussen. Waarom wenen wij? Om onmogelijke liefdes, berouwvolle zondaars, ontaarde moeders, gestorven kindjes, gemiste kansen, trouweloze minnaars, de verloren jeugd en de wreedheid van het lot in 't algemeen. Misschien nog een paar bekende gegevens. Maar geen mens huilt ooit om iets origineels.

Het wordt wel gezegd dat de Grote Verkleedkist eigenlijk een koffer vol smoesjes is. Een kunstenaar die blote vrouwen wilde schilderen vond er een welkom excuus in het verhaal van Paris en zijn appel, en wie een mooie jongen wilde, die koos Sebastiaan. Dat is natuurlijk waar. Maar niet alleen figuren moeten worden gekostumeerd om hun schamelheid te verbergen, ook de clichés hebben dat nodig.

Maria, in haar kamertje opgeschrikt door een engel die haar komt vertellen dat er een groot wonder aan haar zal geschieden, staat voor alle vrouwen die voelen dat hun leven een beslissende wending neemt. Heel even nog koestert zij haar geheim, daarna zal alles anders worden. Oftewel: vrouw is verliefd, vrouw raakt in verwachting. Omdat het Maria is, lijkt het toch iets bijzonders. En als de schilder zijn vak verstaat, vliegt het cliché je als nieuw naar de keel.

In de laatste eeuw of zo is de schilderkunst verhalen als basis voor gevoelens gaan versmaden. Zij mist daarmee een stevig wapen in de strijd om de ontroering (en een béétje kunst is daar toch op uit) net als de hedendaagse muziek, die het zonder prettige wijsjes moet stellen. Ze redden zich wel, daar niet van, en er wordt nog steeds grote kunst gemaakt. Hier en daar schildert iemand zelfs nog wel eens een verhaal, of klinkt een melodie. Maar eigenlijk mag het niet meer, en dat is toch jammer.