Van Binnen

“Alles hier in huis is van mijn ouders geweest. Wat van mij is, was ook van hun: de piano, de bank, de twee fauteuils. Ook dat Delfts blauw bovenop de kapstok, en de Westminster-klok ernaast. Ik weet niet beter, al 64 jaar. Waarom zou ik er nog iets van mezelf bij moeten zetten, het is hier toch zeker al vol genoeg? Nee, dit alles is mij dierbaar.

O wacht, nee, er komt wel iets nieuws bij. Binnenkort wordt de kamer geschilderd en dan neem ik nieuwe overgordijnen. Ze komen aan rails te hangen die langs de erker lopen in plaats van dwars eroverheen aan een roede. Heb ik toch nog zelf iets aan ons huis toegevoegd. En al deze foto's, die zijn natuurlijk van mij. Kijk, dit zijn mijn ouders op hun 25ste trouwdag, en hier op hun 50ste. Dit is mijn petekind Jan, als baby. En hier zie je hem als jongetje, het was heel koud die dag, weet ik nog, hij stond te rillen in zijn korte broek. En nu is hij getrouwd en heeft zelf een kind! Als de schilder komt ga ik al die foto's opruimen, heb ik mezelf beloofd. Dan zet ik van iedereen de nieuwste foto neer, meer mag dan niet.

Dit was vroeger de salon, de mooie kamer noemden we dat, daar zaten we op zaterdagavond en zondag met een kopje thee of koffie of een glaasje wijn als het feest was. Mijn zus, en mijn ouders en ik. Mijn zus is in 1949 getrouwd maar na de oorlog konden ze geen woning krijgen. Zes jaar hebben zij en haar man hier in huis gewoond, op de bovenverdieping. Nu woon ik hier al bijna dertig jaar alleen. Er zijn wat stoelen uit de andere kamers bijgekomen, en de televisie, dat was er toen natuurlijk niet. En deze tafel op wieltjes. Reuze handig hoor. Ja, schuif dat puzzelblad maar opzij. Ik ben dol op puzzelen, als er niks op de televisie is. Een mens hoeft zich nooit te vervelen. Maar het is wel een beetje stil geworden. Ik heb zo'n druk leven geleid altijd, en altijd een hond gehad. De laatste was een Mechelse herder, heel waaks was die, maar ik heb hem moeten laten inslapen.

Als ik naar de kerk ga doe ik dat meestal op zaterdagavond, maar niet 's winters, ik ga niet meer graag in het donker de straat op. Het is ontzettend gevaarlijk geworden. Omdat mijn moeder niet naar de kerk kon - ze had het aan haar rug, ziet u - kwam vroeger de priester hier bij ons thuis. Maar de priesters zijn allemaal weg, overleden, of oud geworden. Ze zijn allemaal oud geworden, ik ook, al merk ik dat zelf niet zo. Laatst heeft de groenteman ook zijn zaak gesloten. Dat loopje ben ik dus ook kwijt. Ja, 't is wel een beetje stil geworden.

Gelukkig heb ik de kinderen en de kleinkinderen. Zo zeg ik dat, ook al ben ik zelf nooit getrouwd. Ik leerde voor coupeuse aan de mode-academie toen een keer de hulp niet kwam opdagen en toen haalde ik het in mijn hoofd om thuis te komen. Mijn ouders zeiden: als je maar niet zegt dat het van ons moest. Maar ik wilde het zelf, er is toch niets mooiers dan de patiënt verzorgen? Als de familieband maar goed is. En de dokter zei nog tegen mij: juffrouw, u bent een geboren verpleegster. Mijn vader heb ik ook verzorgd, en mijn zus ook.

Wij waren de eerste mensen die in dit huis woonden. Toen we hierheen verhuisden van de Zeeburgerdijk in 1929 was het nieuw, dit rijtje stond nog helemaal alleen in de weilanden. Nu is het een echt familiehuis, daarmee bedoel ik, het is van mijn ouders geweest, en van mij, en van de kleinkinderen en straks van hun kinderen. Ik praat nooit over mijn huis, maar over ons huis, het ouderlijk huis. De kinderen zijn nu op de leeftijd dat ze dit allemaal ouderwets vinden, al die meubels en de schilderijen, maar later zullen ze het met andere ogen zien.''