Scholen Curaçao schakelen over van Nederlands op moerstaal

Het Nederlands als voertaal kalft op de Antillen en Aruba in hoog tempo af. Curaçao stapt in het onderwijs officieel over op de volkstaal. Een riskant waagstuk, menen critici.

Miranda Solognier (22) bedient de toeristen die net van een groot cruiseschip zijn gestapt, vlot in drie talen: Engels, Spaans en Nederlands. En soms ook nog in de volkstaal, het Papiaments. Ze werkt in een boetiek aan de haven in Oranjestad, Aruba. 'Als je hier op de lagere school Papiaments sprak, moest je strafwerk in het Nederlands maken. Alles ging in het Nederlands, pas als je weer naar buiten stapte, sprak je Papiaments. Het was wel eens hard, maar het heeft mij een prima basis opgeleverd voor de middelbare school.''

Zo soepel als Miranda zich de taal van het verre Holland eigen maakte, gaat het vandaag niet meer in het onderwijs op de Antillen en Aruba. Het Nederlands, officieel de voertaal bij de overheid en op school, kalft in hoog tempo af. 'Nederlands is hier een dode, vreemde taal. Van de kinderen op de basisscholen is 93 procent Papiamentstalig'', zegt de schrijver-dichter Frank Martinus Arion op Curaçao.

Toch zijn de leerlingen van het basisonderwijs in de rijksdelen in de West bijna zonder uitzondering aangewezen op het Nederlands voor voortgezette opleidingen. Want op de MAVO , HAVO , VWO , het beroepsonderwijs en op de Universiteit van de Nederlandse Antillen in Willemstad bestaan geen leerboeken in het Papiaments - en wie voor een opleiding naar Nederland vertrekt, moet behoorlijk Nederlands kunnen spreken, lezen en schrijven.

'Ik moet er niet aan denken dat de leerboeken voor het voortgezet onderwijs hier in het Papiaments vertaald moeten worden. Dat is onbetaalbaar voor zo'n klein taalgebied'', zegt drs. A. de Jager, tot voor kort inspecteur van het onderwijs in Nederland en nu adviseur van minister Hirsch Ballin (koninkrijkszaken) voor het onderwijs in de West. Hij leverde een belangrijke bijdrage aan de nota Samenwerken op het terrein van onderwijs (in het koninkrijk) die in april verscheen, en die als eerste uitgangspunt kiest voor de moedertaal als voertaal in het basisonderwijs. Maar dan wel onder een serie belangrijke voorwaarden: eerst moet een 'integraal moedertaalcurriculum' worden ontwikkeld, en een moderne lesmethode, die aansluit bij de denk- en leefwereld. Dan hoeven de Antilliaanse kinderen niet meer te leren dat de Rijn bij Lobith 'ons land' binnenkomt of dat er tomaten in het Westland worden doorgedraaid. Verder moeten alle taalvaardigheden aan bod komen: luisteren, spreken, lezen en schrijven. En behalve taalbeheersing dient ook taalbeschouwing aan bod te komen: grammatica, stijl en kennis van taalconventies.

Verouderde methoden

Zover zijn de Antillen nog lang niet, zelfs over een nieuwe methode Nederlands kunnen ze het niet eens worden. 'Het probleem is dat alle eilanden nu iets anders willen en samenwerking is juist een voorwaarde, anders kun je geen methode ontwikkelen voor zo'n klein gebied'', zegt De Jager. De mooiste vorm van ontwikkelingshulp zou zijn als Nederland zo'n compleet nieuwe methode, met inschakeling van Antilliaanse leerkrachten, zou betalen, beaamt hij. 'Ik ben er zeker van dat de minister dat graag zou doen.''

Als voorschot op verdergaande vernieuwing is De Jager er in korte tijd in geslaagd de sterk verouderde leermethoden Nederlands voor het basisonderwijs op vijf van de zes eilanden te vervangen. Op Aruba en Bonaire zijn de nieuwe leerboeken al ingevoerd, overigens niet tot genoegen van alle scholen en leerkrachten, en op de Bovenwindse eilanden Sint Maarten, Sint Eustatius en Saba gebeurt dat per 1 september 1994, allemaal betaald uit de pot van de Nederlandse ontwikkelingshulp. Minister Hirsch Ballin wil hoge prioriteit toekennen aan vernieuwing van het onderwijs op de Antillen 'om te voorkomen dat opnieuw een generatie opgroeit waarvan veel jongeren vroegtijdig uitvallen of de aansluiting missen op het vervolgonderwijs'', schreef hij op 21 oktober aan de Tweede Kamer.

Zo'n verloren generatie, van enkele duizenden jongeren, bestaat er nu op Curaçao en Bonaire. Jongeren die nauwelijks kansen hebben op de arbeidsmarkt, verslaafd zijn geraakt aan drugs of in het criminele circuit terecht zijn gekomen, op hun geboorte-eilanden of in Nederland. Maar juist het grootste eiland, Curaçao, wil nu een geheel eigen beleid gaan voeren om het onderwijs op de basisschool te vernieuwen. Met zijn onlangs uitgebrachte nota De Nieuwe Curaçaose basisschool doet het eilandbestuur een radicale keuze: het Nederlands wordt als instructietaal vervangen door het Papiaments. Behalve de vreemde talen, waaronder het Nederlands, worden alle vakken voortaan in de landstaal onderwezen.

Beperkte taal

Een riskant waagstuk, oordeelt menige leerling, docent en onderwijsdeskundige. Miranda Solognier vreest dat het Papiaments in de praktijk het Nederlands in de eerste schooljaren zal verdringen. 'Ik zie er niks in. Je moet juist vanaf het eerste begin, zo jong mogelijk, Nederlands leren in alle vakken.'' Jan Auwerda, die 28 jaar ervaring heeft opgedaan met het Antilliaanse onderwijs als leraar en directeur van een MAVO op Aruba, zegt: 'Het Papiaments is een beperkte taal. Veel effectiever is het om hier het peil van het Nederlands, dat sterk achteruitgaat, te herstellen. Dat kan door meer Nederlandse leerkrachten in te schakelen en de Antilliaanse docenten bij te scholen.''

Ook mevrouw Lelia Peternella, gedeputeerde (wethouder) van onderwijs op Curaçao, heeft dertig jaar voor de klas gestaan. 'Ik heb lang tegen dit voornemen om het Papiaments als instructietaal in te voeren geageerd. Pas nu, in deze functie, begin ik erin te geloven. De huidige basisschool faalt hier, zowel in intellectueel als sociaal opzicht. We hebben een enorm aantal drop-outs. Een andere didactisch-pedagogische aanpak is dringend nodig, waarbij we het kind meer centraal stellen en onderwijs geven in de taal die het kent.'' Of de rol van het Nederlands wordt teruggedrongen weet ze niet. 'Onze bedoeling is dat het juist een vooruitgang wordt.'' Volgens onderwijssocioloog drs. Henry Vijber, adviseur van de gedeputeerde, is het Nederlands op de Curaçaose school een barrière voor de schoolresultaten. 'Slechts drie van de tien Papiamentstalige kinderen komen hier de basisschool zonder problemen door. Bij kinderen met het Nederlands als moedertaal, die thuis Nederlands spreken, zijn dat er acht van de tien.''

Onderwijs werd voor de Antillen en Aruba een eigen verantwoordelijkheid, toen de eilanden in 1954 autonomie voor hun interne bestuur kregen. Nederland springt slechts bij met ontwikkelingshulp als het gaat om het bouwen en repareren van scholen en het verstrekken van leermiddelen. Maar sinds de komst van de nieuwe minister van koninkrijkszaken Hirsch Ballin in 1989, die de rijksdelen de kans biedt hun band met Nederland zo lang aan te houden als ze dat zelf wensen, is er volgens Henry Vijber sprake van een kentering. 'De samenwerking op onderwijsgebied verloopt moeizaam, omdat Nederland meer greep wil krijgen op de ontwikkelingen hier. Het is een proces van re-kolonisatie. Men wil ons bijvoorbeeld leermethoden Nederland opdringen met een houding van 'wie betaalt, bepaalt'. Bonaire en Aruba zijn daarvoor gezwicht, wij op Curaçao hebben het geweigerd. Men heeft geprobeerd kritische onderwijsdeskundigen zoals ikzelf opzij te schuiven.''

Eigen weg

Volgens de adviseur van minister Hirsch Ballin, De Jager, is dat onjuist. 'Ik heb weinig behoefte op Vijber te reageren. Wij hebben veel gesprekken gehad en we zijn het lang niet altijd eens, misschien moet je zijn opmerkingen zien als het zoeken naar een excuus. Wij gaan onze eigen weg. Curaçao neemt deze beslissing terwijl men nog niet eens beschikt over een goede leermethode in het Papiaments. Het is allemaal wat voorbarig, een beetje terug naar af. Men blijft sterk afhankelijk van het Nederlands, maar hoeveel lesuren zullen er nu voor dat vak overblijven? Ik sta in principe achter invoering van de moedertaal in het onderwijs, maar dat is een enorme omschakeling. Het succes hangt sterk af van je leermethodes en je docenten. Als het Papiaments in al die jaren nog niet heeft geleid tot goede leerboeken, moet je juist eerst het Nederlands opvijzelen. Op Aruba en Bonaire zie je door de introductie van Nieuwe Nederlandse lesmethoden al een opmerkelijke resultaatverbetering.''

Frank Martinus Arion is, behalve schrijver, hoofd van het Taleninstituut van het Antilliaanse ministerie van onderwijs in Willemstad. Met zijn echtgenote Trudy Guda richtte Arion in 1987 de eerste Papiamentstalige school op: het Collegio Erasmo. “We hebben nu ervaring met 124 kinderen in zes klassen. De moedertaal als didactisch instrument, als leerfabriek, dat gaat veel beter. Gemiddeld zijn de eindresulaten nog niet om over naar huis te schrijven, omdat wij veel 'moeilijke' leerlingen aantrekken, ook kinderen van Spaanstalige vreemdelingen. Het heeft een hele tijd geduurd eer wij de juiste manier vonden om het Nederlands goed te onderwijzen. Dat is nu door hulp van Rotterdamse deskundigen en methoden die daar worden gebruikt om allochtonen Nederlands te leren, gelukt. Eigenlijk is het heel simpel: het leren in een taal (Nederlands) is onmogelijk als je die taal zelf nog moet leren. Daarom geloof ik heilig in het Papiaments hier, het geeft de kinderen ook een gevoel van trots en eigenwaarde, van geloof in de eigen cultuur. Het Papiaments kent zijn beperkingen, maar we zijn druk bezig de taal verder te ontwikkelen.”

Bijschrift: Frank en Trudy Martinus Arion voor hun huis in Willemstad. Ze zijn voorzitter en secretaris van het bestuur van Collegio Erasmo, hun eigen school, en actief in de beweging Pro Antia Restructura (PAR - voor het bijeenhouden van de Antillen in geherstructureerde vorm). PAR kreeg bij het referendum op 19 november steun van bijna driekwart van de Curaçaose bevolking.

Frank: 'Lubbers en Hirsch Ballin waren de laatste tijd verkeerd bezig door met elk eiland afzonderlijk overeenkomsten te sluiten. Daar zijn wij fel op tegen, het is een inmenging in interne Antilliaanse zaken en een doodzonde in de ogen van de Verenigde Naties. Een ex-koloniale macht moet niet dicteren.''

Of zijn werk als schrijver door het politieke werk niet in het gedrang komt? 'Tuurlijk, ik zoek het niet. De kranten hier schreven dat ik ik het gevecht met Nederland op een Don Quichotte ging lijken. Dat heeft me juist gestimuleerd, ik voel me eerder David tegenover Goliath en die rol is nu met het referendum nog geslaagd ook. Maar nu heb ik mijn uitgever een nieuw Nederlands boek beloofd, het komt uit bij het vijftigjarig jubileum van de Bezige Bij, volgend jaar. Een heel mooi verhaal, over de moed om de dood onder ogen te zien, met veel vulkanen en vuurspattingen. Het speelt op Guadeloupe, waar ik in 1976 was toen een groep mensen in een uitgestorven dorp onder de Sonfriëre weigerde te vertrekken toen de vulkaan op springen stond. Ze zagen de dood letterlijk onder ogen. Als je niet kunt sterven, kun je niet leven, dat is het thema.''