Rechtsaf

De opleidingen in de derde fase, HBO en WO, kunnen geordend worden naar zwaarte:

Boven in een rechthoek staan de zwaarste opleidingen: het 'harde' HBO (Y1) en de beta WO opleidingen (Y2). Zwaarte is een vaag begrip. Laten we zeggen dat de plaats in dit plaatje aangeeft hoe groot de kans is, dat iemand met zekere vooropleiding de studie met succes zal volbrengen. Hoe hoger geplaatst, des te kleiner de kans.

De aard van de opleiding blijkt niet uit dit diagram. Ook de studielast niet. De opleiding technische fysica aan een TH (= de oude HTS) is zwaarder maar korter dan de opleiding tot KNO-arts, denk ik. HBO-opleidingen zijn dikwijls zwaarder dan WO-opleidingen. De mate van overlap neigt toe te nemen. Er zijn lichte opleidingen bij gekomen in het WO. Daarnaast streeft het HBO naar het verkrijgen van meer status door het verzwaren van opleidingen, zie de recente berichten over het HBO+. Van Vught (NRC H van 2/12) noemt deze bewegingen “vocational en academic drift”. De groeiende overlap leidt vanzelf tot samengaan, denkt de buitenstaander. Van Vught ('imploderen', ook een leuke term) bevestigt dit. Dit imploderen schijnt door Cohen met zijn nota HOOP gestopt te zijn.

Voor havo en vwo kan merkwaardigerwijs net zo'n plaatje gemaakt worden als voor het derde fase onderwijs:

(plaatje)

Vervang in gedachten opleidingen door vakkenpakketten. Die met veel beta (Y1 en Y2) behoren boven in iedere rechthoek. Ook hier is grote overlap. De havo leerling met een zwaar pakket, die behoorlijk slaagt, kan ook een zwaar vwo-diploma halen.

Laten we het standpunt van het tertiair onderwijs innemen. Er is behoefte aan het juiste aantal jonge mensen met de juiste vooropleiding voor ieder van de talloze derde fase opleidingen. De plaatjes beloven veel goeds, zou je zeggen. De leerling met pakket x kiest opleiding x. Helaas, was de wereld maar zo eenvoudig. Er zijn twee grote problemen: de aansluitingsproblematiek en de lange leerwegen.

De aansluitingsproblematiek. Veel aankomend studenten ondervinden grote problemen. Dat is in veel gevallen niet omdat zij de verkeerde vooropleiding hebben genoten, maar omdat zij te weinig hebben geleerd. Het gaat vooral over jonge mensen met zware beta pakketten, die zware derde fase beta opleidingen gaan volgen: pakketten Y die opleidingen Y kiezen.

De lange leerwegen. Mensen zijn eigenwijs. Zo gaan bijvoorbeeld leerlingen q naar opleiding x. Dat is niet de bedoeling. Dat kost een jaar studietijd. Het vwo is immers 6 jaar, tegenover de 5 jaar van de havo. De lange leerwegen worden ten dele veroorzaakt door de aansluitingsproblematiek.

Hoe zullen we de problemen oplossen? Ons identificerend met de derde fase, eisen we oplossingen in de tweede fase. Geïmplodeerd of niet. HBO en WO bestaan uit een groot aantal opleidingen die variëren in zwaarte en aard. De benodigde kennis en intelligentie, dat is niet hetzelfde als de toelatingseisen, verschilt sterk. Een goede keuze is alleen mogelijk als deze niet te vroeg plaats vindt. Het voortgezet onderwijs moet daar op ingericht zijn. De leerling moet tijdens zijn middelbare schooltijd zijn vorming kunnen aanpassen aan eisen van de derde fase opleiding, die hij kiest. De tweede fase moet onderwijs bieden aan leerlingen met behoorlijke grote verschillen in aanleg. De tweede fase moet dus in hoge mate flexibel zijn.

Er zijn vele modellen te bedenken, die aan dergelijke eisen voldoen. De nuttigste ingreep, datgene dat in ieder geval nodig is voor flexibiliteit, is het afschaffen van de grenzen tussen havo en vwo. Dan kan men denken aan stapelbare cursussen; havo-examen + 1 jaar vwo; certificaten-diploma's, denk aan de Engelse O- en A-levels, enzovoorts. Hoogbergen heeft lang geleden dergelijke structuren verzonnen.

Nu al is er enige flexibiliteit: de eerder genoemde vwo-leerling q heeft meer kans op succes dan havo-leerling x op opleiding x en verdient zo het jaar verlies terug. Een mooie pragmatische oplossing, zou men kunnen denken. Nee. In Holland mag dat niet. Het is te duur en het hoort niet.

Het is veel erger. Wat er aan flexibiliteit is, moet er uit. Het profielen plan is al bijna af, zie het interview met mevrouw Ginjaar in deze bijlage twee weken terug. Over de voorgestelde oplossingen is al veel bekend: vier typen opleiding (profielen), ieder bestaande uit drie moten, te volgen op twee schooltypen (havo en vwo). Hokjes, hokjes, hokjes. Zo star als Calvijn. Bestuursvoorzitter van de universiteit van Utrecht Veldhuis (NRC H van 18/11), de Tweede Kamer dit voorjaar, de HBO-raad (NRC H van 2/12), ach, iedereen vindt het goede plannen. Ik niet.

Er is zoveel op aan te merken. Door de nadruk op algemene vorming wordt de aansluitingsproblematiek alleen maar groter (zeker voor de beta's). De nadruk op de algemene vorming draagt bij aan de ongewenste overconsumptie van onderwijs (10 tot 20% Veldhuis). Er is de illusie dat alle diploma's van één schooltype gelijkwaardig gemaakt kunnen worden, de illusie die tevens een denkfout inhoudt. De derde fase vraagt immers juist verschillen tussen binnenkomende studenten. De keuzedrang: op 15-jarige leeftijd moet bedacht worden of het kind geschikt is voor werktuigbouwkunde op TH- ofwel TU-niveau. Men miskent het feit dat het vele derde fase opleidingen (bijvoorbeeld medicijnen) geen bal kan schelen wat hun aankomende studenten weten als deze maar slim zijn.

Er kan heel veel aan het tweede fase onderwijs verbeterd worden. Maar laten we het niet zó doen. Ik zag, na de vorst, in de winteravondlucht een vlucht vogels. Als één van de kraaien op zeker moment roept: “Jongens, rechtsaf!”, wat gebeurt er dan? Vast niks.