P.C. Hooftprijs voor J. Bernlef; Poëzie vormt het hart van zijn schrijverschap

Bernlef, van wie gisteren bekend is geworden dat hij voor zijn poëzie de P.C. Hooft-prijs krijgt, heeft steeds weer nieuwe metaforen voor het dichterlijk bedrijf en de menselijke situatie gevonden. Maar wat doet de dichter anders dan die situatie in kaart brengen, dat wil zeggen, vermoedens uiten over de wegen die we menen te gaan? We begrijpen niets van het leven en misschien is dat wel 'De gunst der goden:/ zij houden het weefgetouw/ voor ons verborgen'.

Af en toe lijkt het of we fragmenten van heldere beelden zien die de belofte van een totaal inzicht uitstralen. De dichter legt er rekenschap van af. We begrijpen niet waar het heen gaat met ons leven, maar: 'straks kunnen wij gaan; straks!// Nu nog lokt grillige muziek ons/ deze kant op, de kant van/ het oorverdovend vogelbos'. De citaten komen uit Bernlefs laatst verschenen bundel Niemand wint, uit 1992.

De jury prijst Bernlef om zijn 'rijk, vernieuwend, geanimeerd, nieuwsgierig en beweeglijk dichterschap'. Hij toont zich 'een chroniqueur van belangwekkende ontwikkelingen in de poëzie.' Hoewel Bernlef bij het grote publiek vooral bekend is geworden door zijn romans, in het bijzonder Hersenschimmen, is deze erkenning van zijn belang als dichter verheugend. De poëzie - en de jury erkent het met zoveel woorden - is het hart van zijn werk.

Bernlef, pseudoniem van H. Marsman, een wat lastige naam voor een beginnend dichter, debuteerde met verhalen (Stenen spoelen) en gedichten (Kokkels) en kreeg daarmee meteen zijn eerste prijs: de Reina Prinsen Geerligs-prijs 1959. Ook zijn tweede bundel Morene (1961) werd bekroond.

Inmiddels had hij samen met G. Brands en K. Schippers het tijdschrift voor teksten Barbarber opgericht. Dit tijdschrift kan achteraf gezien worden als een brandpunt van de poëzie-opvattingen van de jaren zestig. Het sloot aan bij internationale kunstbewegingen die tot dan toe onvoldoende waren doorgedrongen in de Nederlandse cultuur, als Dada, Zero en Pop-art. Amerikaanse dichters als Marianne Moore en William Carlos Williams werden bewonderd, vertaald en nagevolgd. De ready-mades van Duchamp kregen een talige representatie.

Bernlef c.s. zetten zich af tegen de Vijftigers met hun revolutionaire engagement, hun hemelbestormende beelden en uitspraken, maar ook hun woordspelingen en grammaticale dubbelzinnigheden. Bernlef wilde niet metafysisch zijn. Het motto van Zero: 'Ik heb niets te zeggen en dat zeg ik' vond hij toen navolgenswaard.

Geen grote woorden, doe maar gewoon, dan is het belangrijk genoeg. Hij dwong de lezer in zijn gedichten de alledaagse werkelijkheid goed te bekijken. Niet de kunstenaar maar de werkelijkheid moest centraal staan. Het toeval speelde daarbij een grote rol. De titel van een vaak gebloemleesd gedicht luidt dan ook 'Toeval in f' en in een ander gedicht over een beschrijving van kakkerlakken zegt Bernlef: 'Dit is liefde: oog voor detail'.

Toch was zijn bewondering voor Lucebert groot en het poëtische en metaforische bloed kroop waar het niet gaan kon. Later nam hij enige afstand van de Zestiger-mentaliteit. Hij zei: “Mijn poëzie wordt weer muzikaler, krijgt weer lyrische elementen. Je kunt natuurlijk niet doorgaan met die vuilniszak op je rug, anekdotes verzamelen.”

Zijn redacteurschap van het avantgarde-tijdschrift Raster in 1977 en ook zijn latere activiteiten onderstrepen de juistheid van het jury-oordeel. Bernlef blijft zich vernieuwen, zodat de P.C. Hooft-prijs, bij leven en welzijn, zeker niet als afsluiting van zijn dichterschap gezien kan worden.