Oost-Europa zoekt veiligheid tegen Russen

Oost-Europa begint zich steeds meer zorgen te maken over de ambities van Rusland. Een NAVO-lidmaatschap zou de begeerde veiligheid moeten bieden, maar het Atlantisch bondgenootschap wil de nieuwe vrienden in Oost-Europa voorlopig slechts tot het portaal toelaten. Van een veiligheidsgarantie kan nog geen sprake zijn.

West-Europa mag zich veiliger voelen door de beëindiging van de Koude Oorlog en het uiteenvallen van de Sovjet-Unie, de vroegere Oosteuropese satellietlanden beginnen zich in het nieuwe Europa steeds ongemakkelijker te voelen. Sinds het vertrek van de Russen is de Oosteuropese vrijheid van handelen op het terrein van economie en politiek weliswaar vergroot, maar de veiligheidssituatie in het gebied is onzeker geworden. Midden- en Oosteuropese landen zijn in een machtspolitiek vacuüm terechtgekomen - tussen een economisch welvarend West-Europa, dat voor zijn veiligheid nog altijd vastzit aan de Verenigde Staten, en Rusland, dat politiek verzwakt is maar zijn regionale ambities niet heeft opgegeven.

Vooral dat laatste baart de Oosteuropeanen zorgen. De Russische militaire doctrine die op 2 november van dit jaar werd vastgesteld door de Nationale Veiligheidsraad van president Jeltsin heeft de ongerustheid nog aangewakkerd: de belangen van de Russische federatie en de overige leden van het Gemenebest van Onafhankelijke Staten (GOS) kunnen de stationering van Russische troepen en militair materieel buiten de grenzen noodzakelijk maken; het Russische kernwapen kan gebruikt wordt als politiek drukmiddel op de naburige landen; en het leger kan worden ingezet bij de bestrijding van de georganiseerde misdaad.

De militaire activiteiten van het Russische leger in landen als Tadzjikistan, Georgië en Moldavië hadden in Midden- en Oost-Europa al eerder onaangename herinneringen aan een voltooid geacht verleden opgeroepen. “Niemand hoeft eraan te twijfelen dat de mentaliteit en de reflexen van het Russische imperialisme nog springlevend zijn”, zei de Georgische president en voormalige Sovjet-minister van buitenlandse zaken Edouard Sjevardnadze kort voordat hij zelf de hulp van de Russen inriep in zijn confrontatie met de Abchaziërs. En zo ervaren Polen, Oekraiëners, Balten, Polen en Hongaren en veel andere volken in de regio het ook.

Voor versterking van hun veiligheid hebben de Oosteuropese landen daarom aangeklopt bij de NAVO. Vooral de vier zogeheten Visegrád-landen - Hongarije, Polen, Tsjechië en Slowakije - hebben de afgelopen maanden duidelijk gemaakt dat zij zo snel mogelijk willen toetreden tot de Atlantische verdragsorganisatie. Een NAVO-lidmaatschap werd zelfs urgenter geacht dan aansluiting bij de Europese Unie, waar het economisch heil vandaan zou moeten komen. Ze lobbyden er krachtig voor in de hoofdsteden van de verschillende NAVO-landen.

Maar de NAVO heeft daar geen volmondig ja op willen zeggen. Tijdens de vergadering van ministers van defensie van de NAVO op 20 en 21 oktober in het Noordduitse Travemünde werden de contouren geschetst van een programma dat de titel kreeg Partnership for peace. Het voorziet in nauwere militaire samenwerking (oefeningen, eventuele vredesoperaties) tussen de NAVO en die Midden- en Oosteuropese landen die daar voor voelen, maar zonder dat de zozeer verlangde veiligheidsgarantie werd aangeboden.

De ministers van buitenlandse zaken van de zestien NAVO-landen hebben vorige week in Brussel de lijn van Travemünde doorgetrokken. In het slotcommuniqué van de Noordatlantische Raad stelden de ministers met tevredenheid vast dat “het concept van partnership for peace en de daarmee verband houdende voorstellen als nuttig startpunt hebben gefunctioneerd voor de discussies over de ontwikkeling van de NAVO ter voorbereiding op de top [die op 10 en 11 januari in Brussel wordt gehouden, red.]”.

De Oosteuropese landen reageerden ontgoocheld op deze overigens niet onverwachte stellingname. Een bittere Geza Jeszensky, de Hongaarse minister van buitenlandse zaken, zei het onomwonden: “Wij in Midden- en Oost-Europa zijn vanuit de Koude Oorlog binnengekomen, maar van de verkeerde kant. We werden verwelkomd als helden, maar later, toen het carnaval voorbij was, begon de lucht te betrekken.”

Eerder vorige week was de Oost-Europeanen ook al het gevoel bekropen dat ze in de steek worden gelaten. Tijdens de vergadering van de ministers van buitenlandse zaken van de Conferentie over Europese Veiligheid en Samenwerking (CVSE) in Rome kregen de Russen namelijk een stevige opsteker. De CVSE zette de deur op een kier voor eventuele Russische acties ter bescherming van vrede en veiligheid in de aan Rusland grenzende gebieden - door Moskou betiteld als het 'nabije buitenland'. Het comité van hoge ambtenaren van de CVSE moet uiterlijk volgend voorjaar de voorwaarden opstellen waaronder dergelijke acties de goedkeuring van de CVSE zouden kunnen krijgen. Als Russische vredesacties voor een tevoren bepaalde, beperkte periode zouden worden uitgevoerd en begeleid door waarnemers van de CVSE, dan zouden ze ook de instemming van die organisatie moeten kunnen krijgen. Het was een impliciete erkenning van de Russische invloedssfeer, zoals de Britse onderminister van buitenlandse zaken, Douglas Hogg, liet merken: “We hebben geprobeerd greep te krijgen op wat de Russen waarschijnlijk toch wel zouden doen.”

Het gevoel van de Oosteuropeanen in een in principe onveilige situatie te verkeren is nog vergroot door de in felheid toenemende confrontatie tussen Rusland en de Oekraïne. Beide landen beschikken over kernwapens en het parlement van de Oekraïne heeft te kennen gegeven dat de ratificatie van het START-akoord niet betekent dat dat land van al zijn kernwapens afziet, zoals de regering in Kiev eerder had gezegd. De Russische minister van defensie Gratsjov trok de indertijd door Gorbatsjov gegeven belofte in dat Moskou nooit als eerste kernwapens zou gebruiken. Dat was een duidelijk waarschuwing aan het adres van de Oekraïne, waar de Oosteuropeanen niet rustiger van zijn geworden.

Hoe gevoelig de militaire verhoudingen liggen bleek ook in oktober, toen Polen de Russische militaire attaché het land uitzette op beschuldiging van spionage. Tekenend voor de nieuwe verhoudingen is het feit dat in het Warschause diplomatieke circuit het gerucht de ronde deed dat de Amerikaanse inlichtingendienst CIA zou samenwerken met de Russen om te komen tot geheime afspraken over de veiligheid in Oost-Europa. Aanwijzingen dat deze geruchten een grond van waarheid hebben zijn niet gevonden, maar de geruchten zijn wel exemplarisch voor de Oosteuropese visie op de huidige krachtsverhoudingen.

De onwil van de NAVO om de veiligheidsgaranties uit te breiden naar Midden- en Oost-Europa heeft te maken met de toenemende vervreemding tussen de Verenigde Staten en Europa. Nieuwe garanties voor de Oosteuropese staten passen niet in de nieuwe verhoudingen zoals Washington die ziet. De Verenigde Staten hebben er volstrekt geen zin in de 'speciale relatie' die ze met Moskou hebben op het spel te zetten ten gunste van de betrekkingen met Oost-Europa. De Russen willen niet geïsoleerd raken in Europa en de Amerikaanse regering heeft daar alle begrip voor. De belangen van de Oost-Europeanen zijn ondergeschikt aan die van de Russen. Het Partnership for peace-programma is daarom het maximale wat de Amerkanen de landen in Midden- en Oost-Europa te bieden hebben, al heeft de Amerikaanse minister van defensie Aspin gisteren wel gezegd dat de NAVO zich “op uitbreiding van het ledental” moet voorbereiden.

“De Amerikanen hebben innerlijk afstand genomen van Europa, ook al willen ze dat niet zo zeggen als het erop aankomt”, zegt een hoge ambtenaar van een Westeuropees land die zich met veiligheidszaken bezig houdt. “Over een paar jaar zijn de VS bereid het opperbevel van de NAVO over te dragen aan de Europeanen en zeggen ze: houden jullie ook de secretaris-generaal maar.” Alleen in het geval dat een beroep wordt gedaan op artikel vijf van het NAVO-verdrag, dat de veiligheidsgarantie bevat, zullen de Amerikanen nog een vinger in de pap willen hebben.

Mochten er militaire activiteiten moeten worden ontwikkeld door de NAVO in een nieuwe 'Bosnië-achtige' situatie, dan zijn de Amerikanen wellicht bereid tot logistieke bijstand en luchtsteun, maar van deelname van Amerikaanse grondtroepen aan acties in Europa zal vrijwel zeker geen sprake meer zijn. Voor het overige worden de Europese problemen aan de Europeanen overgelaten.