Oeso-rapport versterkt trend om basisonderwijs te ontzien

ROTTERDAM, 9 DEC. Over de kwaliteit van het Nederlandse onderwijs hoeft niemand zich zorgen te maken. Want die is prima, beweert minister Ritzen (onderwijs) keer op keer op symposia en in forumdiscussies. Toch reageerde hij gisteren zorgelijk op het OESO-rapport Education at a glance. Uit dat gisteren verschenen rapport blijkt dat de Nederlandse onderwijsuitgaven langzaam afglijden naar de lagere regionen van de ranglijst van industriële landen.

De grens is bereikt, aldus Ritzen. Nederland loopt anders het gevaar de concurrentieslag te verliezen van landen die wèl meer investeren, zoals Zuid-Korea en andere Aziatische landen. Wij worden niet slechter, maar andere landen worden nòg beter dan wij.

Hoe meer geld voor onderwijs, des te meer economische groei, lijkt Ritzen te denken. Die gedachte ligt voor de hand - maar is tegenwoordig allerminst onomstreden. Als hoogleraar kreeg de econoom Ritzen het een aantal jaren geleden al aan de stok met de onderwijskundige J.Dronkers over de vraag in hoeverre de spectaculair gegroeide deelname aan het onderwijs na de oorlog heeft bijgedragen aan de groei van onze 'kennis-intensieve' economie.

Dronkers twijfelde aan de waarde van Ritzens onderzoek, waarin zo'n relatie werd gelegd. De stelling was niet afdoende empirisch te onderbouwen, oordeelde Dronkers, tegen de heersende mening in. Een paar maanden geleden herhaalde de onderwijssocioloog deze opvatting in een studie - samen met B. Wilbrink geschreven in opdracht van minister Ritzen - naar de massaliteit in het hoger onderwijs. Meer onderwijs betekent niet automatisch economische groei, hield hij vol. “Wanneer verhoogde produktiviteit leidt tot minder werk en daardoor groeiende onderwijsdeelname ligt die relatie omgekeerd.” Bij hoge werkloosheid nemen de leerlingen- en studentenaantallen toe en het is volgens Dronkers de vraag of deze 'opslagfunctie van het onderwijs' enige belangrijke maatschappelijke 'pay-off' heeft.

De economische motor Duitsland geeft - als percentage van het bruto nationaal produkt - overigens nog minder uit dan Nederland, zo blijkt uit Education at a glance: 5,4 procent, tegen Nederland 5,9 procent. Japan zit nog lager: 5,0 procent.

En ondanks zijn zorgen relativeert ook Ritzen zelf het belang van de OESO-bevindingen met de vaststelling dat de organisatie zich nauwelijks heeft beziggehouden met de vraag wat de investeringen opleveren. En juist Nederland slaagt er volgens Ritzen in zeer doelmatig met het onderwijsgeld om te gaan, vooral door goede leerkrachten in basis- en voortgezet onderwijs en een effectieve organisatie van het hoger onderwijs.

Het aandeel van onderwijs in het bruto nationaal produkt daalt in Nederland al bijna twintig jaar, met een scherpe daling in de jaren tachtig, zo blijkt uit CBS-gegevens. In 1975 bereikte dat aandeel een hoogtepunt van 8 procent. In 1980 was dat gedaald tot 7,7 procent en in 1990 was het 6,1 procent. Volgens de OESO was het in 1991 5,4 procent, maar deze wel zeer scherpe daling in een jaar wordt waarschijnlijk grotendeels veroorzaakt door definitieverschillen. Het aandeel van onderwijs in de rijksbegroting daalde in dezelfde periode van 24,5 tot 14,7 procent.

In 1990 noemde de OESO deze bezuinigingen van de jaren tachtig “bijna onvermijdelijk”, gezien de economische omstandigheden. De OESO berekende toen voor de jaren tachtig een besparing van ongeveer acht procent op de onderwijsuitgaven, maar: “Het grootste deel van deze besparingen ging teniet door toenemende aantallen studenten in enkele dure sectoren van het onderwijs en door enkele innovaties waarvoor extra geld nodig was.” Verder bezuinigen noemde de OESO ongewenst. De grootste bezuinigingen sindsdien zijn dan ook gepleegd op de studiefinanciering, een kostenpost van vier miljard. In vrijwel geen land ter wereld wordt er per hoofd van de bevolking zoveel aan studiefinanciering uitgegeven als hier, zo bleek vorig jaar uit een onderzoek van het Centrum voor de Studie van het Hoger-Onderwijsbeleid in Enschede.

De uitkomsten van het OESO-rapport zullen niet leiden tot meer geld voor onderwijs, daarvoor is de situatie van de overheidsfinanciën te precair. Het rapport zal wel een belangrijke trend van de Nederlands onderwijspolitiek versterken. De huidige minister bepleit keer op keer het basis- en voortgezet onderwijs prioriteit te geven in de begroting, en hij wordt daarin ruim gesteund door de Kamer. Ritzen is in die doelstelling ook aardig geslaagd, met name dankzij de grote bezuinigingen op de studiefinanciering, waardoor HBO en universiteiten relatief ongeschonden konden blijven. Nu echter voor de volgende kabinetsperiode nieuw 'zwaar weer' wordt voorspeld en in Education at a glance ook weer eens het bekende feit wordt geconstateerd dat het hoger onderwijs relatief veel geld krijgt in Nederland, zal het voor Ritzens opvolger niet mogelijk zijn het hoger onderwijs nog langer uit de wind houden.

Bezuinigen op het primair en voortgezet onderwijs zal niet goed te verdedigen zijn als Nederland wat die uitgaven betreft al relatief laag scoort in internationale vergelijkingen. Een uitgelekt rapport over de kwaliteit van het basisonderwijs wekte vorige maand grote ongerustheid. Aan versterking van de kwaliteit van de bovenbouw van het voortgezet onderwijs wordt de laatste jaren door de politiek groot belang gehecht. En de dit jaar ingevoerde basisvorming in de onderbouw moet de kans krijgen zich te ontwikkelen. Dit alles maakt bezuinigingen in die sectoren steeds minder waarschijnlijk. In de wereld van het hoger onderwijs wordt dan ook al met angst in het hart voorspeld dat de volgende minister waarschijnlijk niet meer uit de universitaire wereld (zoals Ritzen) of uit de wereld van de hogescholen (zoals Deetman) zal komen.

Ritzen verzet zich vooralsnog tegen deze trend. En wellicht dat de toch voor 'Nederland Kennisland' enigszins beschamende uitkomst van het OESO-rapport voor de verdediging van de onderwijsbelangen een steun in de rug kan zijn. Maar zeker is dat allerminst. Deze week nog antwoordde Ritzen in een jeugdprogramma op tv op de vraag wat hem het meest ergerde: “Onredelijkheid.” Waarbij hij het voorbeeld gaf: “Bijvoorbeeld als je in de ministerraad hebt uitgelegd waarom iets echt niet minder kan - en men wil het tòch.”