Nordholt getuigt voor gerechtshof over politieteam

AMSTERDAM, 9 DEC. De Amsterdamse hoofdofficier van justitie, mr. J. Vrakking, en de hoofdcommissaris van politie, E. Nordholt, moeten morgen getuigen voor het gerechtshof van Amsterdam. Zij moeten opheldering bieden over de methoden die het Interregionaal Rechercheteam (IRT) Noord-Holland/Utrecht heeft gehanteerd in de zogeheten XTC-zaak.

Dat heeft de voorzitter van het gerechtshof, mr. J. Willems, gisteren bepaald in het hoger beroep dat is ingesteld door advocaten van leden van de 'XTC-bende', die vorig jaar door het team werd opgerold. De Amsterdamse politie maakte gisteren onverwachts bekend dat het IRT, een samenwerkingsverband van verschillende korpsen, per 1 januari 1994 wordt ontbonden. In een verklaring zeggen Vrakking en Nordholt dat zij geen verantwoordelijkheid willen dragen voor een niet nader aangeduide “werkmethodiek” waarvan het IRT zich gedurende twee jaar heeft bediend. Het hof wil weten of die bewuste methode is gebruikt in de XTC-zaak.

Ook de dagelijks teamleider van het IRT, A. Lith, is door het hof als getuige opgeroepen. De advocaten van de verdachten stellen dat de bekendmaking van Vrakking en Nordholt, mede ondertekend door de Amsterdamse korpsbeheerder burgemeester E. van Thijn, “de integriteit” van het IRT ernstig aantast. Volgens de procureur-generaal, mr. A.G. Manschot, is de omstreden methodiek echter niet in de XTC-zaak toegepast. “Het gaat niet om een methodiek die van begin tot eind fout is geweest”, aldus Manschot. Er zou echter dusdanig door het IRT zijn geopereerd dat “er grenzen zijn overschreden”. Dat zou uitdrukkelijk niet in de XTC-zaak zijn gebeurd, noch in twee andere zaken die momenteel bij de Utrechtse rechter liggen.

De politie wil verder niets kwijt over de omstreden methode. Volgens Manschot kan er “in de hitte van de strijd iets mis gaan, en de rechter kan dat niet goedkeuren.” Volgens hem is nu wel “een zaak van geruchtmakende omvang in de voorfase afgeschoten”. Het hof liet weten vooralsnog “geen enkele aanleiding in de stukken van de XTC-zaak te hebben gevonden om aan de integriteit van het IRT te twijfelen”. Niettemin vond mr. Willems dat het in de XTC-zaak duidelijk moet zijn dat zich geen onregelmatigheden hebben voorgedaan.

“We hebben nooit iets onoirbaars gedaan”, zegt een woordvoerder van de medezeggenschapscommissie van het IRT in reactie op de verklaring van de Amsterdamse hoofdofficier van justitie en de hoofdcommissaris van politie. “Als het waar zou zijn dat we grenzen hebben overschreden, dan hebben daar ten minste een zevental officieren van justitie weet van gehad. Wij hebben altijd alles in overleg met het OM gedaan. Onze teamleider heeft ons van meet af aan voorgehouden: alles wat we doen moet legaal zijn.” De leden van het IRT zijn woedend dat hun werk nu in een kwaad daglicht wordt gesteld. “Als je niet bij de politie werkte zou je aangifte doen van smaad”, aldus een van hen.

De IRT-ers houden het erop dat zij de dupe worden van een interne machtsstrijd in de politie-top. “De leiding van het IRT is juni van dit jaar in handen gekomen van Amsterdamse politiemensen. Daarvoor hadden twee mensen uit Utrecht de leiding.” Volgens de IRT-ers is door de nieuwe, Amsterdamse leiding, nooit inhoudelijke kritiek op hun werkwijze geuit. “We hebben van de Amsterdamse commissaris J. Van Riessen, (die de Utrechtse commissaris B. van Baerle als algeheel teamleider is opgevolgd), te horen gekregen dat het ontbinden van het IRT niets te maken heeft met het functioneren van het team. Maar er ligt een ernstige vertrouwensbreuk tussen de Amsterdamse hoofdofficier en zijn collega's in het ressort.”

De medezeggenschapscommissie verwijt ook de Amsterdamse politieleiding dat zij zich niet “zichtbaar” in de werkwijze van het team heeft verdiept. “In de loop van vier jaar hebben we bij de bestrijding van de georganiseerde misdaad specialismen ontwikkeld. Amsterdam zegt echter dat ze zich niet kan vinden in de weg die het IRT is ingeslagen. In Amsterdam gaan ze er vanuit dat politiemensen 'multifunctioneel' inzetbaar moeten zijn.”

Volgens de IRT-ers is het recherchewerk naar een grote criminele organisatie nu voor niets geweest. “Daar is een man of vijftig anderhalf jaar mee bezig geweest. We weten dat, nu het onderzoek wordt afgeblazen, levens op het spel worden gezet. Weinig mensen beseffen waar criminelen in de georganiseerde misdaad toe in staat zijn. Zij zijn nu de lachende derde.”

Vandaag komen de chefs van de regiokorpsen die het IRT hebben gevormd bij elkaar. De korpschef van Amsterdam/Amstelland zal er als enige niet bij zijn. De korpschefs van de regiokorpsen: Zaanstad, Alkmaar, Utrecht, Zaanstad en Gooi- en Vechtstreek zullen zich over de ontstane situatie beraden.

De Amsterdamse politie heeft geen commentaar op de gang van zaken. “Het is natuurlijk wel bijzonder dat een hoofdcommissaris en een hoofdofficier samen achter de getuigebank moeten plaatsnemen.”