Neuriend langs de geschiedenis van de musical

'De musical is Amerika's meest oorspronkelijke bijdrage aan de wereld van het theater' leest de bezoeker in het Museum of the City of New York bij de tentoonstelling Broadway Cavalcade, from the Battery to Harlem. Maar vier van de vijf grootste Broadway-hits van dit moment komen uit Londen.

Museum of the City of New York, Fifth Avenue at 103rd Street, New York. Wo t/m za, 10-17u, zo 13-17u. Toegang: 5 dollar. Inl 09-2125341672. De beide Broadway-exposities zijn te zien t/m 29 mei 1994.

Fifth Avenue heeft, ter hoogte van 103rd Street, veel van haar allure verloren en Central Park is zo goed als afgelopen. Bijna alle grote musea van New York heb ik intussen links en rechts laten liggen, want het Museum of the City of New York is de laatste van de lange rij kunsttempels die hier de aandacht trekken. Geen wonder dat maar weinigen, met wie ik er later over begin, ooit op dit punt zijn aangeland. Voor de meesten is het reisdoel al bereikt aan het begin van de Museum Mile, waar achtereenvolgens magnifieke mastodonten als het Metropolitan Museum of Art en het Guggenheim pronken. Dat er ook aan het eind van die bijzondere mijl nog iets bezienswaardigs te vinden is, blijkt veel minder bekend te zijn.

De wandeling leidt naar het historisch museum van de stad, gevestigd in een classicistisch gebouw met een zuilengevel en een brede trap. Beneden is dezer dagen een aanstekelijke tentoonstelling ingericht over Duke Ellington, waarin met vindingrijke middelen en een groot inlevingsvermogen de jazzy uitgaanssfeer in het Harlem van de jaren twintig en dertig wordt gereconstrueerd. Ik stel mijn eigenlijke reisdoel nog maar even uit; deze uitstalling van straatbeelden, etalages, bladmuziek, bereisde instrumentenkoffers, grammofoons, videoprogramma's en documenten houdt me een uur lang vast in de toenmalige sfeer van energiek optimisme en ritmisch vermaak - een voorgoed voorbije tijd waaruit het lastig is weer los te komen.

En pas daarna stap ik in de lift naar drie-hoog, naar de nieuwe expositie Broadway Cavalcade, from the Battery to Harlem. De deuren openen zich recht tegenover een kaart uit 1660, volgens het handgeschreven bovenschrift voorstellende een Afbeeldinge van de stadt Amsterdam in Nieuw Nederlandt. In fraai pastel heeft een Hollandse pionier hier de omtrekken van het eiland Manhattan ingekleurd; een vredig, pastoraal oord met paard-en-wagens en nog heel veel onontgonnen gebied. Volgens de geschiedenisboekjes is iemand in die tijd op het idee gekomen het noordelijke deel van het eiland Haarlem te noemen; het lag immers op zo'n twintig kilometer afstand van het zuidelijke puntje dat sinds enkele decennia (Nieuw) Amsterdam heette. En duidelijk is ook de toenmalige naam van de noord-zuid-verbinding, nu Broadway, te lezen: Heere Straat.

Ik loop rond tussen de gravures, de schilderijen en de opgegraven relikwieën die vooral aan het stenen tijdperk doen denken, en weet me niet goed een houding te geven. Is het om trots op te zijn dat onze voorvaders de Indianen op hun vruchtbare eiland voor 60 gulden een poot hebben uitgedraaid? Nee, politically correct is het niet. Het zou me, volgens de huidige maatstaven, met afschuw moeten vervullen. En toch beleef ik er een primitief soort aardigheid aan die sporen van Nederlandse bedrijvigheid te zien, de namen te herkennen, de teksten te kunnen lezen en te denken: o ja, daar waar Manhattan ophoudt, in het noorden, daar begint Yonckers - en dat is natuurlijk óók een Nederlandse naam.

Nu nog dat feestelijke poortje door, waar boven Broadway! 125 Years of Musical Theatre staat. In één klap is de verstilling van de oude prenten voorbij, want in deze royale ruimte van het museum gaat het uitsluitend nog over de vierkante mijl van Broadway die het theaterdistrict beslaat. Wonderlijk, hoe de hele wereld het over Broadway heeft en dan in feite alleen dat kleine stukje bedoelt waarvan Times Square het middelpunt vormt.

Continu draait er een geluidsband met fragmenten uit het beste wat dit Broadway in de 125 jaar van zijn bestaan te bieden heeft gehad. Give my regards to Broadway om te beginnen, een hit uit 1904, en dan, naadloos aan elkaar geplakt, nummers als Ol' Man River, I got rhythm, There's no business like show business natuurlijk, America uit de West Side Story, Broadway Baby uit het veel te onbekende Follies van Stephen Sondheim, Aquarius uit Hair en, van recenter datum, het titellied uit The Phantom of the Opera.

Zo begin ik al neuriënd - en, als ik niet oppas, hardop meezingend - aan de tocht door de geschiedenis van de musical. Die begint bij een toevalstreffer: de uit 1866 daterende show The Black Crook, waarin voor het eerst elementen uit revue, ballet en variété werden gecombineerd met een min of meer doorlopend verhaaltje. Maar daarna domineerde ook in New York nog decennia lang de Weense operette-invloed. Als bewijs ligt hier de met zwierige inscripties en kleurige briljantjes versierde sigarettekoker die Franz Léhar in 1907 van vrienden en collega's ontving bij de 400ste uitvoering van Die lustige Witwe. Het keerpunt kwam in 1924: toen gingen niet alleen de nog zeer operette-achtige Rose-Marie van Rudolf Friml en The Student Prince van Sigmund Romberg in première, maar ook Lady be good! van de gebroeders Gershwin - de eerste musical met de gesyncopeerde muziek uit de jazz.

Sindsdien ontwikkelde de musical zich, zoals bij de ingang te lezen staat, tot “Amerika's meest oorspronkelijke bijdrage aan de wereld van het theater”. Alle uitstalkasten, met Amerikaanse flair vormgegeven, hebben de vorm van een toneellijst. En daarbinnen hangen, liggen en staan de stille souvenirs: de allereerste auteursrechten-afdracht voor het allereerste liedje van Irving Berlin ($ 1.20 voor Marie from sunny Italy), het contract tussen DuBose en Dorothy Heyward en de gebroeders Gershwin voor Porgy and Bess, het oefenklavier van George Gershwin, het originele souffleursscript voor Oklahoma! en wat er allemaal nog meer bijeen te sprokkelen viel. Zoals nog minstens twee andere sigarettekokers - blijkbaar een populair cadeau in die onbekommerde rokersdagen.

De explosie van Amerikaans musical-talent in de jaren dertig, veertig en vijftig is intussen gevolgd door een heel wat minder feestelijk tijdperk, waarvan de oorzaken op het laatste tekstbord van deze tentoonstelling worden opgesomd: de excessief gegroeide produktiekosten, de uittocht van creatief talent naar Hollywood en de televisie, de verloedering van de straten rond Broadway (vooral de eertijds zo uitbundige 42nd Street ligt er nu verpieterd bij) en de import uit Londen. Vier van de vijf grootste Broadway-hits van dit moment komen uit Londen: The Phantom of the Opera, Cats, Les Misérables en Miss Saigon. Dat vinden de Amerikanen vanzelfsprekend een zorgelijke ontwikkeling. De vijfde hit, de enige van eigen bodem, is een compilatie van oude Gershwin-hits. Terugkijken is op dit moment op Broadway profijtelijker dan iets nieuws maken.