Indonesische rijstboeren zijn bestrijdingsmiddelen beu

In Indonesië is een ecologisch georiënteerde volksbeweging ontstaan die zich richt op rijstteelt met zo min mogelijk bestrijdingsmiddelen.

'Ook onze voorvaderen gebruikten geen agrociden'.

Peter Kenmore et al: Diverse FAO/IPM Indonesia publicaties.

Elske van de Fliert, 1993: Integrated Pest Management: farmer field schools generate sustainable practices. Proefschrift, Landbouwuniversiteit Wageningen, ISBN 90-5485-124-4

In 'Silent Spring' beschrijft Rachel Carson de aantasting van Douglas-sparren door een spintmijt. Bestrijding met loodarsenaat werkte in 1929 averechts - de spintmijtplaag nam niet af, maar juist explosief toe. De oorzaak was dat de natuurlijke vijanden werden uitgeschakeld, het hoge voortplantingsvermogen van de spintmijt deed de rest.

Sinds de introductie van de moderne bestrijdingsmiddelen is dit soort wansuccessen legio geworden. In de Indonesische rijstteelt vinden we een extreem voorbeeld. De cicadellide Nilaparvata lugens, die tot de introductie van insecticiden nooit bijzonder was opgevallen, werd door overmatig pesticidengebruik een zware plaag.

In de rijstteelt wordt het plaaginsekt normaal biologisch volledig onder de duim gehouden door een reeks predatoren, parasieten en ziektes. Maar in 1977, dus ruim na de introductie van bestrijdingsmiddelen, bezorgt de cicadellide Indonesië een produktieverlies van een miljoen ton rijst, een jaar voedsel voor 2,5 miljoen mensen.

Het gebruik van pesticiden induceerde ook andere, kleinere, insektenplagen: Nephotettix virescens, een cicadellide die het rijst-tungro-virus overbrengt en de witte stengelboorder Scirpophaga innotata. Ze kostten Indonesië samen anderhalf miljard dollar. Een dergelijk bedrag ging ook op aan subsidies op pesticiden.

Weer zelfvoorzienend

Indonesië was tot begin jaren tachtig 's werelds grootste rijstimporteur. De bevolking, 180 miljoen nu, groeide sneller dan de produktie. Die bedroeg in 1980 tweehonderd kilo per hoofd, in het crisis- en hongerjaar 1965 honderddertig kilo.

Sinds 1984 is het land weer zelfvoorzienend. Dit werd bereikt door financiële en infrastructurele verbeteringen in de landbouw, maar vooral door intensivering van de teelt met 'groene revolutie' technieken: snelgroeiende rijstrassen met hoge opbrengst, veel kunstmest en pesticiden. Die intensivering is doorgevoerd met propaganda en forse subsidies op chemicaliën.

Het gevolg was dat de rijstproduktie steeg met 4,5 procent per jaar terwijl bevolking met 2,3 procent toenam. Helaas ondermijnden de plagen dit succes. Vaker spuiten werkte averechts, de dieren werden resistent.

Kweektechnische hoogstandjes van het IRRI (International Rice Research Institute) op de Filippijnen, brachten nieuwe rassen met resistente genen. Deze boden enige tijd weerstand, totdat de plaaginsekten ook daar weer immuun voor werden.

Suharto's decreet

Gaandeweg werd de funeste rol van de insekticiden duidelijk. Dit leidde in november 1986 tot Suharto's decreet, dat 57 breedspectrum-insekticiden uit de rijstteelt bande, onder meer organochloriden als endosulfan, carbamaten, en organofosfaten als diazinon. Toegestaan bleven enkele specifieker werkende giffen: BPMC, carbofuran en buprofezine.

In 1987 kwam een eind aan de subsidie op pesticiden. Vier jaar later was het gebruik ervan met zestig procent gedaald en de rijstproduktie met dertien procent toegenomen. In 1989 startte een nationaal programma met scholing op grote schaal: het Integrated Pest Management programm (IPM).

IPM kent vier officiële principes: een gezond gewas verbouwen; wekelijks veldobservaties doen; behoud van natuurlijke vijanden; de boeren zijn de IPM-deskundigen. Dat laatste vooral is revolutionair.

De IPM-opleiding maakt de Indonesische aanpak uniek. De boeren worden onderwezen in de keuze van rassen, die bestand moeten zijn tegen plaatselijke ziektes. Ze moeten in staat zijn om schade te compenseren. Het rijstecosysteem wordt grondig doorgenomen, ze leren diagnose stellen van aantastingen en het verloop ervan te voorspellen. En tenslotte ze leren verantwoorde besluiten te nemen door discussie met collega-boeren.

Ook elders in Azië vindt IPM-scholing plaats, maar daar is het vooral landbouwvoorlichting. In Indonesië gaat IPM-scholing veel verder, het is hier een vorm van Nonformele Educatie. Er worden geen pasklare antwoorden gegeven, vragenderwijs moeten de eigen antwoorden gevonden worden.

Slangen

Een IPM-cursus beslaat een volledig groeiseizoen van tien weken. Per week is er een ochtend training. In het veld vergelijken de boeren IPM-behandeling met standaardpraktijk. Men begint met observatie, noteert weersomstandigheden en groeistadium van de planten. Subgroepjes van vijf mensen maken tekeningen ter presentatie. Centraal het gewas, rechts de vrienden, links de vijanden. Dit naar de posities van goed en kwaad in de populaire Ramayana Wayang-voorstellingen.

De boeren steken er meestal veel van op. Weinigen weten hoe spinnen plaaginsekten aanvallen. Ze leren dat individuele rattenbestrijding niet werkt, daar ratten makkelijk migreren. Slangen daarentegen zijn uitstekende rattenvangers en het zijn blijvers. Ze leren ook wanneer het wel en wanneer het absoluut geen zin heeft om landbouwgif te gebruiken.

De IPM-training blijkt effect te hebben. Uit onderzoek onder 2013 IPM-boeren blijkt dat ze bijna drie keer minder vaak de gifspuit hanteren. Gemiddeld spuit men nu ruim éénmaal per plantseizoen van vier maanden. Het gebruik van de voor de rijstbouw verboden pesticiden verminderde met tachtig procent. Deze pesticiden zijn buiten de rijstteelt wel toegestaan en vrij te koop.

Werken volgens IPM is financieel aantrekkelijk, het geeft iets meer opbrengst, maar het vormt vooral een forse besparing op pesticiden.

Maar de resultaten zijn niet overal even positief. Elske van de Fliert deed op Midden-Java een gedetailleerd onderzoek naar IPM-effecten. Daar had IPM-training gemiddeld een zeer bescheiden effect. Ze toonde aan dat vooral sociaal-economische factoren het resultaat bepalen en dat die per dorp aanzienlijk verschillen.

Een voorbeeld. Alleen als de dorpsleiding het initiatief neemt wordt er gezamenlijk op ratten gejaagd, anders niet, hoe nodig dat ook is. Ook bleek haar hoe krachtig gangbare praktijken zijn, boeren zijn min of meer verslaafd aan dertig jaar chemicaliëngebruik. Van de Fliert wijst op de hinderlijke dubbelrol van landbouwvoorlichters, die aan IPM-trainingen meewerken, maar tegelijkertijd chemicaliën trachten te slijten.

Eravringsdrempel

IPM heeft op dit moment politiek de wind mee. Veel wetenschappers, vooral die werkzaam zijn in de pesticiden-industrie, hebben grote moeite met het IPM-concept van 'ervarings-drempel', die de economische schadedrempel vervangt. De economische scahdedrempel is de grens van aantasting die nog net te tolereren valt omdat bestrijding per saldo nadeliger is. In het algemeen is die grens moeilijk te berekenen, het rijstecosysteem en marktomstandigheden zijn er in Indonesië veel te complex en gevarieerd voor.

IPM's ervaringsdrempel houdt in dat de boer gaandeweg leert, wanneer spuiten rendeert. Dat in tegenstelling tot wat hem was bijgebracht: spuiten zodra een schadelijk insekt te ontwaren viel.

IPM is in een paar jaar tot sociale beweging uitgegroeid, het is een thema geworden in volkstoneel, er zijn IPM T-shirts. Niet Gouvernementele Organisaties, ook Islamitisch religieuze, leveren trainers en IPM'ers zetten zelf scholen op.

Het doel van de IPM-beweging, duurzame landbouw in Indonesië, is nog ver weg: slechts 200.000 boeren zijn in IPM getraind op een totaal van vijftien miljoen boeren.

Maar IPM leeft. Een citaat van Mochtar Lubis (71), een bekend schrijver die onder meer Silent Spring in het Indonesisch vertaalde: 'IPM is een vredelievende revolutie, vol van liefde voor het milieu. Men heeft indertijd op misdadige manier pesticiden als medicijn aan de man gebracht. IPM brengt daar verandering in. En ik breng hun in herinnering, dat hun voorvaderen helemaal geen agrociden gebruikten.'