Hol links, moe midden, verward rechts

Links is terug. Na de herovering van Litouwen en Polen heeft links zich gevestigd in de grote Italiaanse steden. En passant boekte links bij gemeenteraadsverkiezingen in de deelstaat Brandenburg een zege die in Bonn indruk maakt. Nu de aanval vooral van links komt lijkt de aandacht voor het gevaar van rechts, hoe terecht ook, nogal eenzijdig te zijn geweest. Voor Italië en Duitsland is 1994 verkiezingsjaar. De traditionele politiek heeft niet veel tijd om bij te sturen.

Wat hebben de voortekenen van 1993 te beduiden? Voorlopig niet veel meer dan dat Europa opnieuw een onrustig jaar tegemoet gaat. De uitdaging blijft dezelfde: hoe een bevrijd maar uitgeblust Oost-Europa welvaart te verzekeren in een tijd van grootscheepse banenuitval en aanhoudende economische stagnatie in het rijke Westen van het continent. Maar anders dan een jaar geleden is er nu een begin van een politieke reactie, en die reactie maakt niet vrolijk. Teleurgesteld keert de kiezer zich af van het traditionele midden om zich in de armen te storten van partijen die de geschiedenis nu juist in het ongelijk had gesteld.

De terugkeer van links is niet onverdeeld, de teleurstelling over het midden heeft verschillende oorzaken, zoals de verbrokkeling van Solidariteit in Polen, de massale werkloosheid in Oost-Duitsland en de morele malaise in Italië over de grootscheepse corruptie langs de raaklijn van politiek en bedrijfsleven. Het succes van de Brandenburgse PDS is opvallend, de gevolgen ervan nog steeds overzienbaar. Tegenover de linkse overwinningen in Italië's grote steden staat een flinke groei van rechts. De overeenkomst ligt dan ook vooral aan de keerzijde, in het onvermogen van gevestigde partijen zich te vernieuwen en een oplossing te vinden voor de problemen van nu.

Verrassend is dat niet. In Italië zijn partijen te verziekt, in Duitsland heerst de zelfgenoegzaamheid, door gewenning aan de regeringsmacht. Bovendien, de politiek in West-Europa had met zichzelf afgesproken dat er minder politiek moest zijn in plaats van meer. De Europese verzorgingsstaat was zichzelf tegengekomen in een tijd dat vernieuwing identiek werd aan privatisering, deregulering en decentralisering, aan het terugtreden van de overheid. In Europa vervaagden tegelijkertijd de grenzen, vanouds het sublimaat van de regelgeving, en kwam het doe-het-zelf-dogma van de subsidiariteit in de mode. De bevrijde Oosteuropeanen werden geschoold in de economie van de markt. Vrijheid kende geen limieten meer.

Maar de eerste vruchten van de nieuwe vrijheid vallen niet mee. Niet in Oost en niet in West. De markt doet gewoon haar werk en haar valt weinig te verwijten, maar de uitkomst van sluitende bedrijven en thuiszittende werknemers was niet beoogd. Gemakshalve had de politiek vergeten dat de markt twee kanten uitkan: naar expansie en naar contractie. De vondst van de economische theorie deze eeuw dat de politiek er was om die bewegingen anti-cyclisch te beïnvloeden, had als gevolg van veelvuldig ondoordachte toepassing bovendien als beleidsinstrument ernstige slijtage opgelopen.

Voor het doorsnee economische subject, de man of vrouw zonder of in een bedreigde baan, vindt de discussie over wat er moet gebeuren intussen op een hoog abstractieniveau plaats.

Eensdeels gaat het om vermindering en vereenvoudiging van de regelgeving die de markt flexibeler moet maken, de arbeidsmarkt voorop, waardoor de competitie met landen die goedkoper produceren, kan worden bevorderd. De verzorgingsstaat moet op de helling om op de kosten te bezuinigen, maar ook met het oog op de internationale concurrentie. De harde strijd over de verruiming van de internationale handel zoals die over de hoofden van het grote publiek heen wordt gevoerd, ligt in het verlengde van het marktdenken: minder obstakels, meer welvaart.

Aan de andere kant wordt teruggegrepen op het oude leerstuk van de overheidsinspanning. Het witboek van Jacques Delors dat deze week op de Europese top wordt ingediend, voorziet in een programma van vele tientallen miljarden guldens aan investeringen in de Europese infrastructuur. Het plan staat op gespannen voet met het bezuinigingsbeleid van de meeste aangesloten regeringen, maar voor de politiek is het desondanks een verleidelijk signaal van daadkracht. Het is niet uitgesloten dat de staats- en regeringsleiders om die reden bereid zullen zijn de scepsis van hun ministers van financiën te negeren.

De stem voor links is niet ondubbelzinnig te verklaren. Zeker in Oost-Duitsland speelt nostalgie een rol, nostalgie naar de tijd van een zeker bestaan waarvan de zwarigheden vergeten lijken. Maar belangrijker is waarschijnlijk het protest tegen de dubbele bodem van de politiek, in Duitsland gelegd met de belofte van een beter leven die niet snel genoeg werd ingelost, in Italië door een clientèle die zich niet meer naar behoren beloond achtte en vervolgens naar de justitie is gelopen. De vraag is wat daar harder is aangekomen: het openbrekende schandaal of de daadwerkelijke teloorgang van de politieke patronage die eraan vooraf ging.

Voorlopig wijst de stem voor links niet op een nieuw elan, niet bij de kiezers en niet bij de gekozenen. Staande in de marges van het politieke en sociaaleconomische debat kan er nog wel enige kritische flinkheid worden gedemonstreerd, maar de ideologische gereedschapskist is al jaren geleden leeg gebleken en aan dat feit kan vriend noch vijand voorbijgaan. De problemen waarvoor Europa staat zijn niet eenvoudig op te lossen. Zij zijn door de jaren heen ontstaan, zij zijn langdurig aan de publieke aandacht onttrokken, en het zal weer jaren vergen om ze te overwinnen. Wat dat betreft laat de geschiedenis in Oost en West vergelijkbare patronen zien en het is niet toevallig dat de crises een zekere gelijktijdigheid laten zien.

Tegenover de holheid van links staat de uitputting van het midden en de verwardheid van rechts. Samen vormen die verschijnselen een direct gevaar voor Europa nadat het zich nu bijna een halve eeuw heeft weten staande te houden.