Het perfecte huwelijk tussen maaltijd en toegepaste kunst

Sumo-worstelaars die peper en zout strooien. Zacht schommelende vazen en karaffen, of een zilveren ontbijtserviesje om mee op reis te nemen. Schalen en bestek, tafellinnen en glaswerk zijn altijd voorwerpen geweest waarop mensen hun 'wil tot vorm' uitleven.

Tentoonstelling 'Zo zijn onze manieren'. T/m 22 jan. Galerie Carin Delcourt van Krimpen, Westersingel 83 (tijdelijk adres), Rotterdam. Do t/m zo 13-17u (en op afspraak). Inl 010-4130646.

Lang geleden bestond er geen scheiding tussen toegepaste en 'zuivere' kunst. In die paradijselijke tijd deerde het niet of iemand nu een altaarpaneel beschilderde, of de deur van een kast, of dat hij een beker ontwierp. Hij was ambachtsman. Wanneer precies de zondeval van de scheiding der kunsten begon (renaissance? Rembrandt? romantiek?), daarover valt te twisten. Zeker is dat eerst dienstbaarheid, en mettertijd zelfs de hele eis van degelijk vakmanschap, bij de ware artiesten - althans menigeen die daarvoor door wilde gaan - in een kwade reuk kwamen te staan. Zo ver ging die ontwikkeling dat de begrippen 'kunst' en 'nutteloosheid' broer en zusje werden, en dat tegenwoordig ieder lagere school-kind bij het zien van een vreemd en onbegrijpelijk voorwerp reeds in een reflex veronderstelt: kunst.

Als je in zo'n geestelijk klimaat - het heerst nu al een decennium of zeven - aan een kunstenaar vraagt om tafelgerei te ontwerpen is er alle kans dat hij de eetlepels met vacht bekleedt en de tanden van de vorken alle kanten uit laat krullen. Dat hij borden met gaten erin gaat bakken, of kandelaars van oude badkamerkranen fabriceert.

Drie van die vier genoemde onzinnigheden zijn inderdaad vertegenwoordigd op de expositie Zo zijn onze manieren in galerie Van Krimpen. (De vierde, de lepels met vacht, herinner ik mij van vijfentwintig jaar geleden in het Stedelijk Museum; als kind vond ik dat soort grapjes nog leuk.)

Galeriehoudster Carin Delcourt van Krimpen, gespecialiseerd in sieraden en juwelen, vroeg 'aan kunstenaars uit verschillende disciplines commentaar te leveren op eetgerei en toebehoren in de vorm van een werkstuk of een complete tafelschikking'. De formulering zegt genoeg; in dit tijdsgewricht worden kunstenaars als denkers beschouwd, niet als mensen aan wie je met goed fatsoen kunt vragen eens een soepbord te ontwerpen. Helaas, de diepzinnigheid waar dit toe leidt is zelden van meligheid te onderscheiden.

En toch. Naast ideeënkunst van het hierboven genoemde kaliber - de kroon wordt gespannen door Arnoud Holleman, die dertien wandversieringen van brooddeeg vervaardigde waarin hij muntstukken en bankbiljetten oplopend tot briefjes van duizend (vier stuks) verwerkte, en die hij Conversation pieces noemde - is er ook veel moois te vinden op de expositie.

Misschien het allermooist is een peper-en-zoutstel van de Zwitser Uli Teige. Het bestaat uit een rond plateautje waarop in uitdagende houding twee kleine zilveren Sumo-worstelaartjes tegenover elkaar staan; de een kan met zout, de ander met peper worden gevuld. Het plateau rust op drie paar zilveren worstelaarsvoetjes, waar steeds nog een hoofdje tussen zit. Het voorwerp, dat nog minder lijkt op een peper-en-zoutstel dan het beroemde, 450 jaar oudere exemplaar van Benvenuto Cellini, is onweerstaanbaar, aanbiddelijk. Het moet trouwens zeker zijn gemaakt met Cellini's zoutvat in gedachten, maar dat maakt het nog niet tot ideeënkunst. Het is kunst tout court, en terloops ook nog bruikbaar (zo mag men aannemen; als de mannetjes onhandig zouden strooien zou ik het ze vergeven).

Veel duidelijker in de traditie van twintigste-eeuwse toegepaste kunst staat een ander peper-en-zoutstel van zilver, net zo verbluffend effectief van vorm en onweerstaanbaar: 'vogeltjes' van Erich Zimmermann, een Duitse edelsmid. Beide stellen behoren, samen met een stuk of twintig andere die hier ook staan, tot een collectie peper-en-zoutstellen die bijeen werd gebracht door de Zwitser Alban Hürlimann.

In voorwerpen als deze leeft het oude en zeer eerbiedwaardige huwelijk voort tussen de maaltijd en de toegepaste kunst. Schalen en bestek, tafellinnen en glaswerk zijn immers altijd vanzelf de voorwerpen geweest waarop mensen hun 'wil tot vorm' uitleefden, eenvoudig omdat die dingen steeds opnieuw moesten worden gemaakt.

Er is maar weinig glaswerk op de expositie in Rotterdam, maar één ontwerp in glas behoort tot de mooiste dingen die er te vinden zijn: een stel vazen, karaffen en glazen van Ton Haas. Hun vormen zijn zo harmonisch dat je wordt herinnerd aan vooroorlogse Leerdam-meesters als Lebeau en De Lorm. Natuurlijk zouden die heren nooit glaswerk hebben gemaakt dat bij de geringste aanraking zachtjes gaat schommelen, omdat de bodem volmaakt gewelfd is, maar het maakt de vazen en glazen niet onbruikbaar - en het is leuk om ermee te spelen.

In de galerie staan ook een paar door kunstenaars 'gedekte' tafels - een idee dat de Bijenkorf meer dan dertig jaar geleden al had, toen zij Bekende Nederlanders vroeg, kersttafels te dekken op haar serviezenafdeling. De meest opvallende tafel is die van Rob Birza, die in een stuitend kleurengamma van poepbruin, lichtblauw en helder groen iets onuitsprekelijk overladens samenstelde in een erker met uitzicht op de Witte de Withstraat. WC-kleedjes en plastic babyklerenknoopjes zijn slechts twee van de originele materialen die deze kunstenaar gebruikte om zijn feestdis te tooien. Heel wat minder gemaniëreerd is het minuscule gangtafeltje van leerbewerkster Gilberthe Akkermans. Haar eigenlijke werkstuk is een groot necessaire dat zilveren eetgerei bevat.

Dit necessaire van Akkermans, met zijn mooie zilveren kannetjes en kommetjes, maakt een weinig praktische indruk - het laat zich nauwelijks echt dichtmaken, en wie wil er eigenlijk een zilveren ontbijtserviesje mee op reis nemen? - maar het bewijst eens te meer hoe onbelangrijk strikte eisen van functionaliteit worden, als iets maar mooi is, en niet voornamelijk meligheid uitstraalt.

Een twijfelgeval wat dat laatste betreft is een pièce de milieu van keramiste Babs Haenen, een onregelmatige, holle sculptuur in blauw en grijs, die als vaas zou kunnen dienen en dan zeker een fascinerend (zij het veel ruimte eisend) voorwerp midden op de tafel zou zijn. Om het ding 'de Tafelberg' te noemen en die naam, plus de omtrekken van twee borden, vorken en messen op het witte kleed eronder te borduren, lijkt vooral te getuigen van twijfel of het ding op zichzelf wel bijzonder genoeg is. Terwijl het dat is.

Maar hoe fraai ook keramiek kan zijn - een antracietkleurige schaal van Geert Lap, veel te groot om ooit op een tafel dienst te doen, maar zeer indrukwekkend, is daarvan ook een voorbeeld - en glas, en aardewerk: het zilver blijft toch op deze expositie het mooist. Misschien heeft zilver wel een speciale, geheime eigenschap die het tot de koningin van de tafel maakt. Wie zou niet, aan het eind van een maaltijd, de prachtige verzilverde pralinedoos (hij is ook in zilver te koop) van edelsmid Siegfried De Buck op zijn tafel willen zetten? Een doos als een schrijn, een tabernakel? Al zou je hem de eerste jaren moeten vullen met suikerklontjes omdat hij te duur is om er ook nog bonbons bij te kopen.