Een vergeten grensgebied in de krijgsgeschiedenis

Niet alle oorlogen zijn overzichtelijke conflicten tussen georganiseerde nationale legers. Gerke Teitler over een veronachtzaamd hoofdstuk uit de krijgsgeschiedenis: de conflicten aan de grenzen van invloedssferen.

'Oorlog is de voortzetting van politiek met toevoeging van een nieuw middel.' De Pruisische historicus en strateeg Carl von Clausewitz (1780-1831) zei het al: oorlog is niet meer dan een middel om een politiek doel te bereiken. Het verschilt in wezen niet van andere politieke middelen. Het enige bijzondere aan oorlog is de bijzondere aard van het middel.

Wie von Clausewitz leest, begrijpt niet waarom de militaire geschiedenis zich zolang uitsluitend met veldslagen, generaals en wapentuig heeft beziggehouden. Als oorlog een voortzetting van politiek is, moet de krijgsmacht een afspiegeling van de maatschappij zijn. Daarmee zou militaire geschiedenis tot de meest interessante tak van de geschiedenis moeten behoren.

De waarheid is dat een brede visie van iemand als Von Clausewitz zeldzaam is. Het gros van de geschiedschrijving houdt zich bezig met het noteren van de droge feiten.

Kommervol

Om de krijgsgeschiedenis op een wetenschappelijk verantwoorde wijze te beoefenen werd in Nederland in 1891 een historische sectie aan de landmacht toegevoegd. De belangrijkste taak voor de sectie was het monnikenwerk van bronnenonderzoek en -publicatie. Daarnaast werd de historicus geacht nuttige lessen uit de geschiedenis te trekken. Als de geschiedenis geen direct praktisch nut voor de krijgsmacht had, dan was er altijd nog het nut van de opvoedende werking van de Vaderlandse Geschiedenis op het Nederlandse volk.

Ondanks hoge verwachtingen leidde de historische sectie een kommervol bestaan. Manuscripten konden slechts met grote moeite worden gepubliceerd. Tijdens het interbellum werd de sectie zelfs bijna wegbezuinigd. De grote omslag voor de sectie militaire geschiedenis kwam pas in mei 1940. De reden hiervoor was dat de Nederlandse landmacht toen voor het eerst in meer dan een eeuw in actie kwam. Eindelijk kon er geschiedenis worden geschreven. Daartoe werden al in de zomer van 1940 zoveel mogelijk ooggetuigen geïnterviewd. Na de bevrijding kon het vergaarde materiaal worden geïnterpreteerd. De vijf oorlogsdagen leveren nog steeds stof voor discussie.

Op Nederlandse bodem was een eeuw niet gevochten, maar Nederlanders vochten in die periode wel in Nederlands Indië. Daar was echter een afzonderlijk leger actief: het KNIL. Door allerlei oorzaken werd wat daar gebeurde nauwelijks geïntegreerd in de Nederlandse geschiedschrijving. Ook de maritieme geschiedenis neemt een aparte plaats in. De marine is zozeer verbonden met de civiel-maritieme wereld, dat het niet mogelijk is het één onafhankelijk van het ander te bestuderen.

Crewcut

Gerke Teitler (1942) draagt zijn haar in een crewcut en knijpt bij de begroeting je hand fijn, als een echte militair. Hij groeide op in Den Helder, en werd daar voorgoed gegrepen door 'de vreemde mengeling van vrijheid en gebondenheid' die de krijgsmacht is. Hij staat bij Defensie op de loonlijst, is verzot op vechtsporten, maar is nooit onder de wapenen geweest. Zijn dienstplicht heeft hij, dankzij langdurig studieverlof, nooit hoeven vervullen. Wel is hij door zijn afkomst en achtergrond in de wieg gelegd voor het vak waarbij internationale betrekkingen en volkenrecht zo'n grote rol spelen.

De familie van zijn joodse vader was afkomstig uit de stad Tsjernowitsch, dat in die tijd Roemeens was en tegenwoordig in Rusland ligt. De Teitlers emigreerden rond de eeuwwisseling. Ze belandden niet in de VS, maar in Nederlands Indië. Daar ontmoette zijn vader zijn Friese moeder.

Teitler studeerde aan de politiek sociale faculteit te Amsterdam en promoveerde twee keer. De eerste keer in '74 bij de organisatie-socioloog J.A.A. van Doorn op De Wording van het Professionele Officierskorps. Een indrukwekkende studie waarin hij de Europese oorsprong van de opleidingen voor landmacht en marine onderzocht. 'Van Doorn eiste dat je alles in een internationale context plaatste. Nederland heeft overigens, met prins Maurits, een belangrijke rol gespeeld in de professionalisering van de krijgsmacht.'

De tweede promotie was in 1988 in Leiden, met Anatomie van de Indische Defensie. Deze militair strategische studie had hij al geschreven, en een tweede promotie was 'een leuke manier om een lijvig manuscript onder de pannen te krijgen.'

In het dagelijks leven doceert Teitler aan het KIM in Den Helder en de KMA te Breda. Hij gebruikt zijn kennis en inzichten om aankomende officieren te trainen in strategisch en internationaal denken. De historicus legt verbanden met andere periodes en plaatsen. Zo gebruikt Teitler de 'frontier-these' van Turner, (1893), om het denken over de huidige crisis in de westeuropese defensie aan te scherpen.

De frontier-these is gemaakt om de Amerikaanse geschiedenis van de 19e en 20ste eeuw te verklaren. De confrontatie met de steeds opschuivende westgrens zou volgens Turner de ontwikkeling van de VS bepaald hebben.

Volgens Teitler is het begrip frontier echter niet uitsluitend op de VS van toepassing. Ook voor Europa was het, tot diep in de 17e eeuw, onduidelijk waar de grenzen van zijn invloedssfeer lagen. Nog in 1683 werd Wenen belegerd door de Turken.

Toen de buitengrenzen zich in de 18e eeuw stabiliseerden, konden de Europese landen zich ontwikkelen tot de gecentraliseerde, territoriale staten die wij nu zo gewoon vinden. Onderlinge conflicten werden uitgevochten door oorlogen en voor die oorlogen golden steeds duidelijker regels. Na de Napoleontische oorlogen werden die regels opgeschreven door de Pruis Von Clausewitz, en tot op de dag van vandaag geldt hij als de grondlegger van het strategisch denken.

Sinds Von Clausewitz zijn de Westerse oorlogen niet minder onaangenaam geworden, maar ze zijn wel begrijpelijker. Dat geldt tot en met de Golfoorlog. De vijand was ook in dat geval een georganiseerde staat, met een geregelde, hiërarchisch gestructureerde krijgsmacht, die volgens een voorspelbare strategie werd ingezet. Burgers leveren in een dergelijke staat wel hun inspanningen voor de strijd, maar zijn toch duidelijk te onderscheiden van de militairen.

Machteloos

Von Clausewitz komt pas in de problemen bij tegenstanders die niet aan deze criteria voldoen, zoals op het ogenblik bijvoorbeeld in ex-Joegoslavië of de drugsstaten in Zuid-Amerika. Tegenover dat soort vijanden staat het Westen machteloos.

Volgens Teitler zou het Westen zich moeten oriënteren op de 'militaire zijstroom' die wat uit het zicht is verdwenen. Deze zijstroom vond zijn oorsprong in gebieden waar Europeanen op andere culturen stuitten. Eerst waren dat, van Zuid-Spanje tot de Oeral, halfnomadische en bergvolken. Later, toen deze grens beveiligd was en Europa aan zijn expansie begon, traden andere tegenstanders naar voren. In de koloniën ontstonden nieuwe frontier-gebieden.

Dankzij de filmindustrie weten wij veel van het leven in de frontier die 'het Wilde Westen' werd genoemd. Kenmerkend voor het leven in de frontier is dat het onderscheid tussen oorlog en vrede vervaagt. De vijand is geen georganiseerde staat. De strijd is geen plechtig verklaarde oorlog, maar een onverwachte strooptocht. In het grensgebied is permanente waakzaamheid geboden. Ook het onderscheid tussen burger en militair is vaag. Vanwege de voortdurende bedreiging moet iedereen zich wapenen. Daarbij komt dat de vijand tot een andere cultuur behoort. Beperkingen die het christendom of het volkenrecht aan de strijd opleggen zijn hier niet van toepassing. De strijd in de grensgebieden mag dan kleinschalig zijn, hij is er niet minder bitter om.

Het Westen wordt geconfronteerd met toenemende onrust aan de grenzen van zijn invloedssfeer. Hoe moeten we daar mee omgaan? 'Concreet betekent het', aldus Teitler, 'een verbreding van de militaire taak. Politionele en bestuurlijke taken, die in onze traditie niet voor militairen bestemd zijn, moeten in de frontier ook door de militair vervuld worden. In het grensgebied is geen centrale overheid aanwezig.'

Nederland zou zich bij de vorming van zo'n leger kunnen laten inspireren door het eigen koloniaal verleden, meent Teitler. 'Het KNIL moest opereren in een grensgebied dat nog maar net een beetje gepacificeerd was. Een militair moest ook rechter en politieagent zijn. Nog geen vijftig jaar geleden deed de marine politiewerk in Nederlands Indië en Nieuw-Guinea. Ook toen was er dat moeizame gemanoeuvreer met wat er volkenrechtelijk mogelijk was en hoe er met de plaatselijke civiele autoriteiten moest worden samengewerkt. De herinnering aan dat kleinschalige werk is helemaal weggezakt tijdens de Koude Oorlog. Toch zou het waardevol vergelijkingsmateriaal kunnen vormen voor de uitzendingen van nu.'

Op 11 december, 10 uur, belegt het Historisch Platform een studiedag over militaire geschiedenis. In het Legermuseum te Delft wordt gesproken over het thema 'Mensen in oorlog'. Prof.dr. G. Teitler houdt een inleiding over 'De stand van zaken: van krijgs- naar militaire geschiedenis'. Inl.: 020-5484966.

Het Historisch Platform is een vakvereniging voor historici. Afgestudeerde historici kunnen via het platform werk vinden of de band met het vak onderhouden. De stichting is mede-uitgever van het Historisch Nieuwsblad (Postbus 71975, 1008 ED Amsterdam).