Drie Romeinse legioenen in een fuik

Het slagveld van de 'Slag in het Teutoburgerwoud' waarbij de Germanen de Romeinen in een hinderlaag lokten, is ontdekt. Spectaculaire vondsten van een keerpunt in de Europese geschiedenis, vlak over de grens bij Enschede.

Kalkriese - Römer in Osnabrücker Land. Archäologische Forschungen zur Varusschlacht - Rasch Verlag, Bramsche 1993. Geïll., 332 blz.

'Quinctilius Varus, geef me mijn legioenen terug!,'' zou keizer Augustus hebben gejammerd toen hij de jobstijding hoorde. De ramp was dan ook zonder weerga: Veldheer Varus was ergens in de moerassen van Germanië drie legioenen kwijtgeraakt: het 17de, het 18de en het 19de. De catastrofe ging gepaard met de grootst mogelijke militaire schande voor de Romeinen: ook de drie legioensadelaars waren in de handen van de vijand gevallen.

Augustus rekende deze ramp voor de rest van zijn leven onder de zwaarste tegenslagen die hem hadden getroffen. Jarenlang zou de keizer op de verjaardag van de verloren slag hebben gerouwd. De nummers van de drie door de Germanen afgeslachte legioenen werden nooit meer gebruikt. De strafexpeditie van Augustus' stiefkleinzoon Germanicus zes jaar later, in 15 na Chr., kon de schande maar gedeeltelijk uitwissen. Hij bezocht het slagveld, begroef de doden en het lukte ook één van de verloren adelaars terug te vinden en daarmee de smaad wat te verzachten.

Eind vijftiende eeuw doken uit kloosterbibliotheken de eerste bronnen uit de Oudheid op die van de Varusslag reppen. Sindsdien is er koortsachtig gezocht naar de plek van deze saltus Teutoburgiensis. Tevergeefs. Het was de zoveelste roemruchte veldslag die men niet meer kon localiseren.

Maar staat er dan niet een monumentaal gedenkteken voor Hermann (Arminius) bij Detmold? De leek weet niet beter of het in 1875 opgerichte standbeeld kijkt uit over het dal waar de 'vrijheidlievende Germanen' het 'bezettingsleger' van de Romeinen er duchtig van langs hadden gegeven.

Een verkeerde interpretatie van de al niet erg duidelijke klassieke bronnen, antwoorden de archeologen dr. Susanne Wilbers-Rost en dr. Achim Rost van het Landschaftsverband Osnabrück. In totaal waren er meer dan 700 claims die allemaal een andere plek op het oog hadden (elk achtertuintje in het gebied, grappen sommige vaklui oneerbiedig, hoopte zich als De Plek te ontpoppen). Ongeveer een dozijn daarvan waren serieus. Die concentreerden zich in vier verschillende gebieden: 1. aan de noordkant van het Wiehen- en Wesergebergte (de noordelijke theorie); 2. tussen Oerlingshausen en Horn en tussen Teutoburger Woud en de Weser (de Lippische theorie); 3. in de zuidoostelijke Westfaalse Bocht (de Münsterlandse theorie) en 4. in het oostelijke Sauerland (de zuidelijke theorie).

Blind gevaren

De Lippische theorie won: de veldslag zou in het Lipper Bergland oftewel in de Osning hebben plaatsgevonden. Men concludeerde uiteindelijk dat Osning en de saltus Teutoburgiensis identiek waren. Vandaar dat het monument van 'Herman' in Detmold staat. Daar immers lag het Winfeld waarvan de naam (onjuist) als 'veld van de overwinning' werd geïnterpreteerd.

Al deze theorieën zijn nogal blind gevaren op de overleveringen uit de Oudheid (o.a. Tacitus, Strabo, Suetonius, Cassius Dio, Velleius Paterculus en Florus), waarbij men zich weinig druk maakte om praktischer zaken zoals archeologische vondsten. Alleen de historicus en latere Nobelprijswinnaar (1902) Theodor Mommsen (1817-1903) trok zijn conclusies uit reëlere aanwijzingen. Hij wist dat er op bepaalde locaties, namelijk op een aantal akkers tussen de Kalkrieser Berg en het grote moeras aan de noordkant van het Wiehengebergte al drie eeuwen lang Romeinse munten waren gevonden. In totaal waren dat een aureus (goudmunt), 179 denarii (zilvermunten) en 2 assen (koperkleingeld).

De datering van de munten kwam gedeeltelijk overeen met het tijdstip van de Varusslag, gedeeltelijk met dat van de veldtochten van Germanicus (15-16 na Chr.). Dit en de gunstige plek - een nauwe doorgang tussen de berg en het moeras - brachten Mommsen op het idee dat die munten misschien van de sinds eeuwen naarstig gezochte plek afkomstig waren. Maar er was geen oorlogsgerei gevonden en ook ontbraken bij de vondsten de kleinste en nederigste kopermunten: het soldatengeld. Vandaar dat Mommsens theorie niet werd geloofd.

Britten kunnen bogen op een traditie in het veroorzaken van archeologische sensaties in het buitenland. In de voetstappen van illustere voorgangers als Evans, Carter en Carnarvon zorgde ook in de kwestie van de Varusslag een Engelsman voor een aardverschuiving. Captain J.A.S. Clunn, een militair gestationeerd in Osnabrück en tevens amateur-archeoloog, was van Mommsens theorie op de hoogte. Hij vroeg en kreeg in 1987 toestemming om het gebied met een metaaldetector te onderzoeken. Sindsdien lijkt het alsof de Romeinse godin Fortuna zich met de zaak is gaan bemoeien.

Eerst leerde Clunn een plaatselijke bewoner kennen die in de jaren '60 in het gebied Kalkriese een zilveren munt had gevonden. Hij liet zich die plek wijzen en vond er al gauw nog eens 100 zilveren munten. Clunn meldde de vondst onmiddellijk, waarna er een kleine opgraving werd georganiseerd. Men vond prompt 60 nieuwe munten. Het was duidelijk dat het ging om een schat, want de munten waren allemaal tegelijk begraven. De ouderdom liet zich makkelijk natrekken: het jaar 9 na Chr. De archeologen meenden dat een soldaat of een koopman hier zijn bezit had verstopt.

Drie stukken lood

Maar daarmee was het idee dat de plek van de veldslag was gevonden nog niet bevestigd. Concrete aanwijzingen waren er nog niet. Captain Clunn meende echter dat zoveel munten iets moesten betekenen. Hij bleef weken en maanden lang doorzoeken.

Toen dreunde de donderslag. Onder de aanvankelijk ondefinieerbare kleinigheden identificeerden de archeologen drie stukken lood. Het waren zonder enige twijfel Romeinse slingerkogels, de eerste militaria die in het gebied opdoken. Die drie stukjes lood hebben de 160 munten in betekenis verre overvleugeld. Hun aanwezigheid wees niet alleen op Romeinse legeronderdelen, maar mogelijk zelfs op de aanwezigheid van buitenlandse hulptroepen (dus een nogal grote legermacht). Strabo, Caesar en Livius noemen vaak Kreta en de Balearen als geboortelanden van de slingeraars.

Pas toen gaf men van overheidswege toestemming en geld om te gaan graven. Doordat de boeren plaggen hadden aangevoerd om de (magere) zandgrond ter plekke vruchtbaarder te maken, waren enkele vondsten weliswaar verplaatst, maar veel andere juist beter geconserveerd tegen de landbouw.

Ook het werk van de archeologen had al snel succes. Naast verdere munten en nu ook wat grotere fragmenten van militaire uitrustingstukken kwamen al bij het begin van het werk de twee belangrijkste vondsten naar boven: een ijzeren Romeinse pioniersbijl en een ijzeren, oorspronkelijk verzilverd gezichtsmasker van een Romeinse helm, nu het logo van de opgravingen. Vooral het masker is een nogal zeldzame vondst (in het Rijksmuseum G.M. de Kam in Nijmegen ligt een vergelijkbaar exemplaar).

Maar de belangrijkste ontdekking was van een andere aard. Nadat een proefsleuf was gegraven, bleek dat deze dwars door een kunstmatige ophoping liep, die zich al gauw ontpopte als het restant van een ongeveer vijf meter brede, twee meter hoge en 200 meter lange wal van graszoden. Het kon niet de omwalling van een Romeins kamp zijn. De wal was aangelegd tussen twee beekjes, was van achteren niet afgesloten en bijna alle opgegraven Romeinse militaria en munten lagen ervóór en slechts een paar erbinnen.

Het leek erop dat de wal door de Germanen was opgetrokken en dat een eventueel gevecht vóór de wal had plaatsgevonden. Geestdriftig vertellen Susanne Wilbers-Rost en Achim Rost over het ingenieuze drainagesysteem dat heeft moeten voorkomen dat de wal bij hevige regen werd onderspoeld. Hier ook werden de schedel en een deel van de wervelkolom van een Romeins trekdier met resten van het gareel gevonden.

Tegengestempelde assen

Samen met de oudere vondsten zijn er in totaal meer dan 650 gouden, zilveren en koperen munten gevonden en meer dan 700 andere voorwerpen. De vondsten hebben een bijna uitsluitend militair karakter, bijvoorbeeld ook het extreem hoge percentage van tegengestempelde Romeinse assen. Dit tegenstempel diende om de afgesleten munten soldatengeld te herwaarderen, en werd door de bestuurder van een provincie gegeven. Onder de tegenstempels bevindt zich ook het stempel VAR van Varus. Hij kwam in 7 na Chr. in de Germania Inferior en sneuvelde in 9 na Chr. De drie zo gestempelde munten vallen dus nauwkeurig te dateren.

Als ze alle overgeleverde vindplaatsen meerekenen, komen de archeologen op een uitgestrekt areaal waarvan tot nog toe maar 5000 m, ongeveer een negende, is onderzocht. De vondsten van zowel aanvals- als verdedigingswapens (gladius, dolk, pilum aan de ene en helm, pantser en schild aan de andere kant) bewijzen de aanwezigheid van zwaarbewapend voetvolk, dus van Romeinse legioensoldaten.

Twee inscripties identificeren met zekerheid de eerste cohorte van een legioen, een elite-eenheid. De archeologen zien hier een verband met de grote hoeveelheid vondsten van betere kwaliteit. Door bijzondere wapens, gerei en toebehoor werden verder hulptroepen, pioniereenheden, ambachtslieden, artsen, administratie en de tros gesignaleerd. Vooruitlopend op de reconstructie van het verloop van de slag menen de experts dat juist de non-combattanten in de tros een grote belemmering vormden voor de beweeglijkheid van de reguliere troepen. Door de eigen tros werd zelfs de terugtocht afgesneden. Op de smalle wegen en het moeilijke terrein konden de zware wagens niet keren.

Vaak worden door bezoekers dezelfde vragen gesteld aan de archeologen: Na zo'n grote slag moeten hopen van wapens, uitrustingsstukken en lijken overgebleven zijn. Waarom is er zo weinig gevonden? Waarom zijn er nauwelijks Germaanse wapens gevonden? Waar zijn de lijken allemaal gebleven?

Na de nederlaag hadden de Germanen ruim de tijd om het slagveld te plunderen. Ze deden dat met Germaanse Gründlichkeit. Het is verder begrijpelijk dat ze hun eigen doden ter aarde hebben besteld en de voor hun nuttige wapens en ander gerei hebben meegenomen. Zes jaar later kwam Germanicus en volgens Tacitus heeft hij de toen nog aanwezige Romeinse botten plechtig begraven.

Bovendien is de bodem in het gebied zuurhoudend, zodat organisch materiaal haast geheel wordt verteerd en tegenwoordig maar heel kleine resten worden gevonden. Het eerder genoemde trekdier is alleen bewaard door de graszoden die erop gevallen waren en door de opgeloste koperverbindingen van zijn tuig. Wat de Germaanse wapens betreft, zijn er twee antwoorden: de wapens waren veel lichter en beschermende pantsers bezaten ze niet. Verder was de aanvoerder Arminius lange tijd in Romeinse dienst geweest. Het is aan te nemen dat hij niet de enige was en dat de Germanen gedeeltelijk zelf met Romeinse wapens hebben gevochten.

Pax Romana

Maar hoe wisten de Germanen welke weg het Romeinse leger zou nemen, en dat blijkbaar al zo ruim van tevoren dat ze een hinderlaag konden leggen?

Het antwoord is omgeven door een kluwen van historisch-politieke verwikkelingen in Germanië, die al vóór Caesar begonnen en praktisch tot de val van Rome (bewerkstelligd door de Germaanse massa's) bleven meespelen. De Germaanse politiek van Rome was een voortdurend balanceren op een smalle rand. Aan de ene kant bezaten de Germanen toentertijd zeker nog niet het hun door de negentiende-eeuwse Romantiek toegeschreven gevoel voor nationale identiteit en de revolutionaire wil om zich van de Romeinse bezetters te bevrijden. Veel kleine stammen maakten graag gebruik van de Pax Romana, het door Rome geboden leven in vrede en veiligheid.

Een permanente controle en pacificering van Germanië viel niet te verwezenlijken zonder de medewerking van de leiding van de verschillende stammen. Rome wenkte daarom met niet te versmaden beloningen: het Romeinse burgerschap en het ridderschap (Arminius was zelf een ridder en Romeins officier en door een lange staat van dienst genoot hij veel vertrouwen bij de Romeinen). Aan de andere kant kon de trouw aan Rome botsen met het streven naar een machtspositie in de eigen stam bij een van de vaak voorkomende machtswisselingen. Dat was juist in die tijd bij de Cherusken het geval. Op die manier werd Rome betrokken in de interne machtsstrijd van de stammen met gevolgen zoals de rampzalige Varusslag.

Vanzelfsprekend heerste er onder de Germanen ook een latente ontevredenheid over het Romeinse optreden. Een gemis aan tact, aan kennis van land en volk en verder de bekende arrogantie, dwang, soms wreedheid, het opeisen van tributen, de invoering van Romeinse rechtsspraak kwetste en druiste in tegen oude rechten van hoofdlieden en tegen de plaatselijke zeden. Cassius Dio wijst op het bijzonder harde optreden van Varus (ná zijn verlies en zelfmoord een gemakkelijke zondebok) die de Germanen als onderdanen behandeld zou hebben. Zo vond Arminius open oren en veel medestanders voor zijn plan.

Volgens Cassius Dio kreeg Varus, die vanuit een (nog niet gevonden) zomerkamp ergens bij Minden op weg was naar de winterkwartieren van zijn Germaanse 'geallieerden', het bericht dat een bepaalde stam aan het rebelleren geslagen was. De locatie van de rebellen was zo aangegeven dat Varus een andere weg naar zijn winterkwartieren moest nemen. Zo kwam hij naar de flessehals bij Kalkriese.

Ketting van hinderlagen

Op de bewuste plek vernauwt het begaanbare terrein zich tot minder dan een kilometer breedte. De slim gekozen locatie en de verrassing werkten volledig in de zin van de Germanen, die wel uitkeken voor frontale botsingen met de Romeinse elitetroepen. Het lijkt er op dat de Germanen een ketting van hinderlagen in de wegversmalling hadden opgebouwd zodat elk van de Romeinse eenheden was gedwongen telkens weer nieuwe Germaanse posities te passeren. Net als bij de aanleg van het drainagesysteem bij de wal blijkt ook bij de keuze van de strategie en de tactiek een uitgekiende voorbereidende planning aan Germaanse kant te hebben plaatsgevonden, waarbij niet alleen de eigen operaties maar ook de veronderstelde stappen van de tegenstander waren ingecalculeerd.

De initiatiefnemer van deze opstand, Arminius (foutief vertaald als 'Hermann'), de liberator Germaniae, heeft een lange weg afgelegd door geschiedenis en literatuur afgelegd. De nuchtere historische waarheid is dat hij in 21 na Chr. werd vermoord in het kader van de toen nog steeds voortdurende machtsstrijd en wel door zijn eigen familie. De (Romeinse) bronnen geven als reden dat hij koning had willen worden, wat volgens hen inging tegen de vrijheidsliefde van de Germanen.

De historische figuur Arminius dook in de vijftiende eeuw weer op. Dat was juist in de tijd waarin reformatoren en humanisten van het slag van Luther, Von Hutten, Melanchthon en zelfs Erasmus hem goed konden gebruiken. Dit gebruik was minder conform de historische feiten, maar paste goed in hun strijd tegen Rome. Arminius werd gestileerd tot voorvechter van nationale eenheid en vrijheid. Hij wordt een literaire topos, die dozijnen dichters en schrijvers heeft geïnspireerd. De Franse tijd vormde een verdere stimulans voor de nationale vrijheid en eenheid in Duitsland. Toen al plande men een Hermann-monument dat dezelfde met symboliek beladen rol zou moeten vervullen als het Vrijheidsbeeld in Amerika.

In 1875 kregen figuur en mythos hun definitieve vorm in de uitvoering van Ernst von Bandel. Hermann staat trouwens niet alleen. Binnen de algemene negentiende-eeuwse aanbidding van het nationale erfdeel rijst ook Vercingetorix in Alesia op in het landschap, om van heldenmonumenten in Italië, Griekenland en Oost-Europa nog maar te zwijgen.

Onvermijdelijk daarbij is de profanering van al de edele gevoelens. Susanne Wilbers-Rost en Achim Rost huiveren als ze denken aan de Jubel-Trubel rondom het Hermann-monument te Detmold. Namen als 'Teutonenkneipe' of 'Hermannsgrill' doen er opgeld. Beide archeologen zijn bang dat ook de opgravingen bij Kalkriese dat soort zegeningen van het massatoerisme zouden kunnen oproepen. 'Terwijl,'' peinst Rost, 'het huidige stratennet het helemaal niet kan hebben in dit zompige gebied. Maar voor beperkt toerisme is het juist erg geschikt, je kunt je hier uitstekend verplaatsen met huurfietsen. De faciliteiten zijn er al en de natuur is prachtig. Voor nationale devotie is Kalkriese niet geschikt.'' Tot nu toe is er bij de opgravingen alleen een klein maar boeiend informatiecentrum ingericht.

Rost: 'Het is een unieke plek, enigszins vergelijkbaar met Pompeji. Dat is archeologisch haast net zo extreem. Er is hier een historisch moment vastgehouden. Alles wat er wordt gevonden heeft betrekking op één concreet historisch ogenblik. Het is midden in het volle leven 'bevroren'. Bij bijna alle andere opgravingen is het de continuïteit die het archeologenwerk bemoeilijkt.''