De vele gedaanten van een burenmoord

De oorlogspartijen in ex-Joegoslavië hebben zich ontpopt als de tovenaarsleerlingen van de Servische leider Milosevic. In de heilige doeleinden van de eigen partij zien ze een vrijbrief voor het maltraiteren van 'vijandelijke' of 'eigen' burgers. Nauwelijks heeft men voor een van de conflictpartijen een begin van sympathie of begrip opgevat, of die begint zich ook schuldig te maken aan de gruwelijkste misdaden tegen burgers.

Een voorpublikatie uit het vandaag verschenen boek 'De verwoesting van Joegoslavië', een uitgave van NRC Handelsblad.

In de beeldvorming over de Joegoslavische burgeroorlog in het Westen domineerde aanvankelijk één voorstelling van zaken: de belangrijkste militaire en politieke macht binnen ex-Joegoslavië, de republiek Servië, ging op rooftocht in die delen van de vroegere federale staat die onafhankelijkheid nastreefden. De Servische leider Slobodan Milosevic was, samen met de leiding van het Joegoslavische leger, zeker de eerste politiek-verantwoordelijke voor het uitbreken van het ernstigste militaire conflict in Europa sinds de Tweede Wereldoorlog.

Milosevic was het die in de jaren voor de burgeroorlog in zijn republiek een welhaast hysterische, op herleving van het Servische nationalisme gerichte volksbeweging tot stand bracht. De agressiviteit daarvan beduidde voor alle andere volkeren of streken in ex-Joegoslavië een bedreiging en gaf de stoot tot soortgelijke bewegingen elders. Het was de in nauwe samenwerking met Milosevic handelende leiding van het Joegoslavische leger die al vroeg in de oorlog haar toevlucht nam tot de ongekwalificeerde inzet van zwaar militair geweld tegen onschuldige burgers.

In de tweeëneenhalf jaar sinds de eerste schoten in Slovenië is er veel gebeurd in ex-Joegoslavië en ook ons inzicht in de aard van het conflict is breder geworden. De oorlogspartijen in ex-Joegoslavië zijn de tovenaarsleerlingen van de Servische leider en zijn generaals gebleken. Onder hen is er niet één die niet in de heilige doeleinden van de eigen partij een rechtvaardiging vindt om 'vijandelijke' of eventueel ook 'eigen' burgers op alle denkbare manieren te maltraiteren.

Het conflict heeft een eigen dynamiek ontwikkeld die zich niet meer zo eenvoudig in nationale begrippen, of in een strijd tussen goeden en slechten laat vangen. Achter de schijnbaar nationale problematiek gaat een groot aantal sociale en politieke problemen schuil. De oorlog in Joegoslavië is vele zaken tegelijkertijd: Een veelal lokaal bepaald conflict waarin allerlei soms oude tegenstellingen van sociale of religieuze aard, of zelfs (bloed)veten worden uitgevochten. Dat gebeurt op een schaal die loopt van republiek versus republiek, via dal tegen dal, dorp tegen dorp tot buurman tegen buurman.

Een poging van lokale of andere elites om in de tijden van het socialisme bestaande machtsposities of voorrechten onder nieuwe, nationale vlag te beschermen tegen pogingen tot markteconomie of democratisering.

Een poging van nationalisten van allerlei pluimage om homogene nationale gemeenschappen tot stand te brengen waar deze niet bestaan. Met name de multinationale stedelijke gemeenschappen van ex-Joegoslavië worden daartoe zwaar onder druk gezet, zoniet vernietigd, om hen in de nieuwe structuren te laten passen. Ook wordt zware druk uitgeoefend op de bevolking van zeer onderscheiden gebieden (Serviërs in Servië versus Serviërs in Bosnië; Kroaten in Dalmatië tegen Kroaten in Herzegovina) om hen hun regionale particularismen te doen opgeven en hen in één nieuwe nationale gemeenschap te doen opgaan. De oorlog en het gevoel van bedreiging, de nieuwe 'nationale' dienstplicht, en de propaganda in regeringsmedia over het beweerd gevaar van genocide zijn de voornaamste instrumenten van deze politiek.

Een algeheel conservatieve revolutie van onderop, vooral in agrarische gebieden, tégen moderniserende en egaliserende tendensen in de zich tot voor kort ontwikkelende, moderne industriële samenleving, en vóór (eventueel nieuw uitgevonden) tribale samenlevingsvormen. Als opvolger van de communistische samenleving ontwikkelt zich een nieuwe gesloten maatschappij, onder andere gekenmerkt door het wegvallen van centraal staatsgezag en de opkomst van mafia-achtige structuren als centra van macht en geweldsuitoefening.

Een uiting van primitief egocentrisme. Joegoslaven die tientallen jaren in de waan hebben geleefd dat hun land uniek en in het centrum van de wereld (namelijk tussen de grootmachten) lag, vragen bij het wegvallen van deze positie op welhaast pathologische wijze de aandacht van de rest van de wereld. Zij gaan er voetstoots van uit dat de rest van de wereld de morele plicht heeft zich actief aan hun zijde in de moordpartijen op te stellen.

Zo'n complex conflict is natuurlijk niet zo eenvoudig onder controle te brengen. Het Westen had zich bij de val van het communisme in 1989 een morele plicht aangemeten de voormalige socialistische landen in hun nieuwe verschijningsvorm bij te staan. Het is opmerkelijk dat het Westen juist in het geval-Joegoslavië onmachtig is gebleken. Meer dan enig ander Oosteuropees land was het oude Joegoslavië ingebed in allerlei internationale samenwerkingsstructuren. Er bestonden diepgaande culturele, politieke, economische en zelfs militaire contacten, het Westen beschikte in Belgrado over grote ambassades, het Westen was actief betrokken bij pogingen in de nadagen van Joegoslavië de dinar convertibel te maken et cetera.

Misschien was er een element van onderschatting. Joegoslavië was het meest ontwikkelde en rijkste land van Oost-Europa. Zijn burgers konden vrij reizen en wisten wat er in de rest van de wereld te koop was. Dat er in de diverse republieken politieke krachten aan het werk waren die uitmuntten in doortraptheid was drie jaar geleden bekend. Dat hun intriges en neiging tot de inzet van grof geweld zozeer een voedingsbodem zouden vinden in grote delen van de ex-Joegoslavische samenleving is echter een verrassing geweest. Waar de mentale regressie waarin burenmoord en welhaast hysterische nationaliteitsbeleving kunnen plaatshebben, nu precies vandaan komt is zeker een van de grote, en nog bijna onuitgezochte vraagstukken rond de Joegoslavische burgeroorlog.

Ten onrechte heeft het Westen aangenomen dat de politieke elites in de verschillende republiekjes, staatjes en autonome provincies gevoelig zouden zijn voor argumenten als de noodzaak oorlogsgeweld te vermijden, de verkieslijkheid van een oplossing door onderhandeling boven die door wapengeweld, nieuwe kredieten of andere financiële stimuli als hulp bij wederopbouw.

Niet alleen is de greep van de leiders met wie de internationale gemeenschap sprak en onderhandelde - grofweg de leiding van de diverse nieuwgevormde republieken - op 'hun' strijders buitengewoon bescheiden gebleken. Ook de belangstelling van deze republikeinse leiders voor een oplossing door onderhandelingen, of zelfs het beëindigen van vijandelijkheden en wreedheden, is gering geweest. Weliswaar hebben zij talloze vredesplannen, staakt-het-vurens en andere door het Westen bedachte regelingen ondertekend, maar toch vooral als politiek-tactische ondersteuning van hun eigen militair-tactische doeleinden.

Het Westen, waar in het algemeen oorlog niet meer als een geoorloofd middel ter verwezenlijking van politieke doeleinden wordt gezien, is er niet op bedacht geweest dat de oorlogspartijen dat heel anders zagen. Zo goed als ook pas geleidelijk de volle omvang van de perfide routine is doorgedrongen, waarbij partijen die militair-technisch in het nadeel zijn (de Kroaten, de moslims) hun 'eigen' bevolking uit propagandistische en mobiliserende overwegingen tot gijzelaar van hun eigen onverzettelijkheid, of zelfs onder vuur nemen.

Dit alles gaat gepaard met een fundamentele minachting bij de oorlogspartijen voor de betrokken buitenlanders, èn tegelijkertijd de overtuiging dat de internationale gemeenschap verantwoordelijk is voor het conflict. Deels is deze overtuiging - de nationalistische media van de verschillende oorlogspartijen spenderen meer drukinkt aan de internationale situatie dan aan het verloop van het conflict zelf - een archaïsch element, echo van de daadwerkelijke betrokkenheid van de toenmalige grootmachten bij de strijd op de Balkan aan het einde van de vorige eeuw.

In Tito's naoorlogse Joegoslavië is het gevoel speelbal der grootmachten te zijn kennelijk vele jaren bewaard gebleven. Met name het Westen heeft het oude Joegoslavië, als belangrijke regionale macht die door communisten werd geregeerd maar toch niet aan Moskou's leiband liep, decennialang genereus voorzien van kredieten en andere voorrechten. Men kan zich afvragen of het gemak waarmee de inwoners van ex-Joegoslavië thans overgaan tot de vernietiging van het vele dat in de naoorlogse periode in materiële zin is opgebouwd, geen verband houdt met de valse verwachting dat de Westerse Sinterklaashouding tegenover hun streken een eeuwig gegeven is.

Dankzij de aanwezigheid van Europese waarnemers, de vredesmacht van de Verenigde Naties UNPROFOR en een groot aantal andere internationale organisaties die dagelijks op alle niveaus met het conflict te maken hebben, is de Westerse politiek geleidelijk zeer wel op de hoogte geraakt van de werkelijke stand van zaken in de oorlog. Wie te velde merkt dat àlle oorlogspartijen op hem schieten, met name ook de partij waarvoor hij denkt een dienst te verrichten, krijgt niet zeer de neiging in het militaire conflict partij te trekken. Te velde lijkt het niet moeilijk te voorspellen wat er zou gebeuren als UNPROFOR zich als een binnenlandse interventiemacht zou profileren: àlle oorlogspartijen, zonder uitzondering, zouden zich tegen die macht keren, de oorlog in Bosnië bijvoorbeeld zou niet langer uit drie, maar uit vier hoofd-oorlogspartijen bestaan.

Het zijn zulke ervaringsfeiten die de interventiebereidheid doen afnemen naarmate men als westerling het conflict dichter nadert. Daar komt nog bij dat de Joegoslavische burgeroorlog de toeschouwers nauwelijks gelegenheid biedt tot verfrissende partijdigheid. Nauwelijks heeft men voor een der conflictpartijen een begin van sympathie of begrip opgevat, of deze begint zich ook al schuldig te maken aan de meest gruwelijke misdaden tegen de burgerbevolking.

Vanaf het begin van de oorlog hebben de Joegoslaven, of liever gezegd hun kranten en de neo-communistische ideologen die in de media thans veelal de dienst uitmaken, de oorlog niet voorgesteld als een ordinaire burgeroorlog, maar als ragfijn spel van buitenlandse machten om invloed op de Balkan. Het is wederom de Servische oorlogspartij die als eerste is begonnen de strijd voor te stellen als een heldhaftige kamp van het eigen volk tegen een internationale samenzwering. Dat voorbeeld heeft school gemaakt, en bovendien hebben de Kroatische èn de moslim-oorlogspartij openlijk, al voor het feitelijk uitbreken van de oorlog, gestreefd naar wat zij 'internationalisering' van het conflict noemden. De laatste tijd hoor je, merkwaardigerwijze, ook in het Westen wel over de mogelijkheid dat verschillende machten in de Joegoslavië-oorlog onderling verschillende belangen nastreven.

Deze voorstelling van zaken kan grotendeels naar het rijk der fabelen worden verwezen. Inhoudelijk laat de Joegoslavische burgeroorlog de grootmachten van vandaag grotendeels koud. Geen van hen heeft deze oorlog gewild, en alle willen er ook liefst weer zo snel mogelijk van af. Maar geen van hen weet hoe. Je mag rustig zeggen dat de internationale bemiddelaars - Owen, Vance en Stoltenberg - op het gebied van de Balkan-diplomatie het onmogelijke hebben verricht, maar de partijen zijn nu eenmaal niet of nauwelijks ontvankelijk voor andere dan oorlogslogica. Dus zal op een dag het conflict wel door lokale factoren tot een einde komen.

Wat je het Westen kunt verwijten is dat er geen consistente lijn is ontwikkeld en een voldoende krachtig beleid waarmee de oorlog verder had kunnen worden ingeperkt of voorkomen. Misschien is van Westerse kant te weinig de nadruk gelegd op het behoud van Joegoslavië in enigerlei vorm, een staat waarin het Westen decennialang had geïnvesteerd, en die wel degelijk op weg was naar democratie en markteconomie. Dat Joegoslavië bezat, als een multinationale structuur, ook wel degelijk bepaalde garanties tegen de nu uitgebroken nationale oorlogen - zij het dat die voor een groot deel lagen in de sfeer van de politiestaat.

Op het moment dat de Joegoslavische burgeroorlog uitbrak, bestond de Sovjet-Unie nog. De imperiale structuur van dit land gold decennialang in het Westen als laakbaar. Bij veel Westerse beleidsmakers golden de potentiële nationale spanningen binnen het Sovjet-imperium als een welkome factor van desintegratie van de Sovjet-macht. In deze sfeer is door Westerse beleidsmakers misschien ook te vlug afstand gedaan van het oude Joegoslavië, zonder dat dit evenwel in een consequent beleid tot uitdrukking kwam: de ene Joegoslavische leider zag zijn republiekje erkend, de ander niet maar mocht zijn met moord en doodslag veroverde gebied houden. Geen wonder dus dat de meest waarschijnlijke uitkomst van de oorlog de vanuit Westers standpunt slechtst denkbare is: op grond van dubieuze nationale criteria en ten koste van heel veel slachtoffers en verwoesting opgerichte, zeer talrijke mini-staatjes zonder veel economische levensvatbaarheid. Die zijn alle op oorlog gebaseerd, en vertonen dus de neiging de oorlog voort te zetten, met alle risico's voor destabilisatie in de regio vandien.

De Joegoslavische burgeroorlog is een afzichtelijke oorlog, waarin mensen sterven als vliegen - geen intellectuele verklaring of schuldtoewijzing kan daaraan iets veranderen. Het bestaan van miljoenen mensen - uit alle bevolkingsgroepen - is gebroken, door de nietsontziende geweldsuitoefening tegenover nietsvermoedende burgers. Nog eens tientallen miljoenen anderen die tot voor kort leefden in een relatief modern, welvarend en veelbelovend land in de treurige Oosteuropese zee, zien zich plotseling door de vernietiging van de Joegoslavische economie, sancties en het economische wanbegrip van hun leiders tot de bedelstaf gebracht en hebben binnen korte tijd de intellectuele opbloei van het post-communisme moeten verruilen voor het leven in een sfeer van intellectuele regressie, waarin alle macht en aanzien uit de loop van het geweer komen.

Slachtoffer zijn met name al diegenen die - gebruikmakend van de relatieve openheid van het Joegoslavische socialisme - langs de weg van tientallen jaren kapitaalaccumulatie een eigen huis, een eigen zaak hadden opgebouwd en deze verworvenheden nu, veelal letterlijk, in rook zien opgaan. Al diegenen ook die, veelal jong, zich oriënteerden op de waarden en levenswijze van de democratische Westerse maatschappijen, en steeds minder een boodschap hadden aan patriarchale of andere autoritaire karaktertrekken van de Balkan-maatschappij. Zij hadden de basis kunnen vormen voor een nieuwe maatschappij, een aantrekkelijk land zelfs, dat niet had hoeven onderdoen voor landen als Italië en Spanje.

De democratie, uit naam waarvan de nationalistische doeleinden aanvankelijk werden gerechtvaardigd en in zekere zin ook door het Westen werden geduld, heeft in ex-Joegoslavië definitief de geest gegeven. De thans actief bij de oorlog betrokken regimes nemen hun toevlucht tot agressieve propaganda en intimidatie van de eigen bevolking via de regeringsmedia, zoniet tot regelrechte terreur. Zij belijden thans openlijk dat hun nationaal karakter de verwijzing van groepen burgers die de 'verkeerde' nationaliteit hebben naar het tweede plan impliceert. Misschien is een dergelijke ontwikkeling een noodzakelijk gevolg van de oorlogstoestand. Maar met het voortduren van de oorlog wordt steeds onduidelijker of de oorlog de dictatuur voortbrengt, danwel dat de nieuwe dictatoren de oorlog in stand houden - ook als er voor de vorm nog verkiezingen worden georganiseerd.

Gelukkig is de Joegoslavische burgeroorlog tot nu toe een regionaal conflict gebleven, zonder al te directe invloed op onze veiligheid, en op ons welbevinden. Toch is er geen reden tot opluchting. Ons gebrek aan intellectuele greep op de gebeurtenissen en gevoel van onmacht blijven geenszins beperkt tot ex-Joegoslavië. Bijna overal in Oost-Europa nemen de armoede, radeloosheid en frustratie schrikbarend toe, en wordt de basis gelegd voor toekomstige rampspoed. In het centrum van Moskou is de zwartgeblakerde gevel van het Russische parlement een teken dat weinig meer ondenkbaar geacht moet worden.

Alleen als het Westen een begin van vruchtbare analyse, zoniet een werkzame doctrine zal weten te ontwikkelen tegenover de landen van het vroegere socialisme, zal het offer van Joegoslavië niet vergeefs zijn geweest. Alleen dan zullen de tranen, te onzent geplengd voor het gebroken leven van tientallen miljoenen individuen, niet louter krokodilletranen zijn.