De man en zijn das

Sarah Gibbings: The Tie, Trends and Traditions. New York: Barron's, 1990.

S. Freud: Die Traumdeutung. Gesammelte Werke. II/III. London: Imago Publishing, 1942.

S. Freud: Die Symbolik im Traum. Gesammelte Werke XI. London: Imago Publishing, 1940.

Met deze tamelijk onwetenschappelijke bijdrage neem ik afscheid van Wetenschap & Onderwijs. Vanaf januari zal ik schrijven voor de Opiniepagina.

Lange tijd dacht ik dat ik de enige was. Als ik er anderen wel eens over vertelde, reageerden ze meestal een beetje lacherig. Nee, zij hadden dat niet. Zij begrepen mij ook niet. Alleen mijn psychoanalytische vrienden wisten er wel weg mee. Maar op een dag kwam ik een boek tegen, The Tie, Trends and Traditions van Sarah Gibbings. En toen wist ik dat als een seksegenote het onderwerp zo fascinerend vindt dat ze er een rijk geïllustreerd boek over schrijft, het heel gewoon is dat voor mij een goed geknoopte stropdas onder een adamsappel een erotische uitstraling heeft.

Sir Hardy Amies - een van de koninklijke kleermakers voor het Engelse vorstenhuis en wereldwijd beroemd om zijn mannendassen - schreef het voorwoord. Eén zinnetje daaruit: 'It comes into a room almost before the man.' Zo is het maar net. En wat mij betreft zijn al die open hemden - hoeveel borsthaar daardoor ook wervend zichtbaar wordt - erotische armoe en achteruitgang.

Freud had er trouwens ook heel uitgesproken meningen over. In 1917 vond hij de betekenis van de das voldoende evident om het in een uitleg over droomsymboliek te laten bij: 'Die herabhängende und vom Weib nicht getragene Krawatte ist ein deutlich männliches Symbol.'' Inderdaad, ik draag hem niet, maar ik mag er wel graag naar kijken.

Toch liet deze beschrijving van Freud de belangrijkste vraag open. Gegeven het feit dat het een typisch manlijk kledingstuk betreft kan de das een seksespecifieke symboolwaarde krijgen. Maar onverklaard blijft waaróm mannen die das zijn gaan dragen, die geen enkel praktisch nut heeft, eigenlijk alleen maar lastig is en soms bepaald onaangenaam strak zit.

Pas in 1929 gaf Freud daarvoor een verklaring, zij het ook weer uitsluitend in verband met dromen. Hij noemde weer het lange en hangende als kenmerkend voor manlijke symboliek, maar 'nicht nur darum (...) sondern auch, weil man sie nach seinem Wohlgefallen auswählen kann, eine Freiheit die beim Eigentlichen dieses Symbols von der Natur verwehrt ist.''

En mannen die veel dassendromen paren aan een grote dassencollectie in hun garderobe getuigen volgens hem van onvrede over wat de natuur hen heeft toebedeeld. De stropdas als een naar hoger sferen opgetrokken pronkjuweel.

Toch voldoet Freuds verklaring niet helemaal, want de voorlopers van de stropdas waren helemaal niet allemaal lang en hangend, om van het nog steeds bestaande vlinderdasje maar te zwijgen. Daarom vraag ik mij af of die vorm zo belangrijk is en of het niet zou gaan om een afleidingsmanoeuvre: de aandacht trekken naar een zo onschuldig lichaamsdeel als de hals, maar ondertussen voor een andere zone boze plannen beramen?

Over het wetenschappelijk gehalte van het boek van Sarah Gibbings durf ik geen uitspraken te doen, maar er staan leuke weetdingen in. Die knoop waar ik op val is - nog meer voer voor psychoanalytici - bijvoorbeeld ontleend aan die welke de leidsels van een vierspan bijeenhoudt. Vandaar dat in het Engels een stropdas ook wel een four-in-hand wordt genoemd.

Tot 1974 was de oudste bekende afbeelding van mannen met neckwear - er bestaat geen Nederlands equivalent voor deze verzamelnaam voor alles van stof dat rond de hals wordt gedragen - die op de marmeren Trajanuszuil in Rome, opgericht in het jaar 113. Sommigen van de ongeveer 2.500 soldaten dragen in hun gevecht met de Daciërs een of andere shawl, op diverse wijzen geknoopt. Een verklaring daarvoor had men niet. Het kon niet zijn dat men zich op deze manier beschermde tegen de zon in de nek, want waarom hadden dan niet alle soldaten iets dergelijks om? Ook de latere uitleg dat het om mannen ging die hun stembanden wilden sparen voor redevoeringen op het Forum leek niet gefundeerd, omdat verschillende Romeinse schrijvers het dragen van een bescherming rond de hals beschreven als louter iets voor zieken en gebrekkigen. Een echte man beschermde zijn keel met de hand of hooguit met de punt van zijn toga.

In 1974 werd de tombe van de Chinese krijgsheer Qin Shi Huangdi ontdekt met daarin ongeveer 7.500 terra cotta soldaten, allemaal met een gestrikt dasje om. Een oudere afbeelding - 210 vC - dus dan de shawls op de Trajanuszuil, maar even merkwaardig, want op geen enkele andere afbeelding uit de Chinese oudheid zijn mannen met dasjes te vinden, noch op prenten, noch op porselein.

De Chinese en Romeinse manschappen tezamen nemend is men gekomen tot de verklaring van de das als onderscheidingsteken. Sinds mensenheugenis is de hals gebruikt om met versieringen de status, het beroep en de rijkdom te tonen. Kettingen van schelpen, tanden, edelstenen, goud en zilver waren symbolen ten dienste van de hiërarchie. Sarah Gibbings stelt dat zolang stof kostbaar was, een lapje om de hals een teken van wel een heel speciale status moet zijn geweest. Ze geeft daarvoor echter geen verdere onderbouwing en ik begrijp de redenering niet, want bij het maken van kleren zullen toch altijd restjes stof zijn overgebleven, die heel goed als dasje dienst hadden kunnen doen?

Maar goed, de Chinese soldaten in de graftombe waren inderdaad van een speciale status. De keizer, die bang was om dood te gaan, was aanvankelijk van plan geweest het hele leger te doden, zodat alle manschappen met hem mee zouden gaan naar de eeuwigheid. Toen men hem dat uit het hoofd had gepraat liet hij van iedere soldaat een getrouw lijkend terra cotta beeld maken. Allemaal met een gestrikt dasje om als teken van hun uitverkiezing, van de eer die hen ten deel was gevallen. Waarschijnlijk was er volgens Sarah Gibbings met de paar Romeinse soldaten met das ook iets speciaals aan de hand, zo speciaal dat ze zich konden veroorloven iets te dragen dat eigenlijk alleen van zwakkelingen werd getolereerd.

Dat is een boeiend psychologisch verschijnsel dat nog steeds bestaat: statussymbolen zijn weliswaar gerangschikt volgens een hiërarchie, maar wie op een bepaald terrein aan de top van de hiërarchie staat hoeft zich van die rangschikking niets meer aan te trekken en kan het zich permitteren zich met de laagste symboliek te tooien.

Waarom de das in de zeventiende eeuw opeens alomtegenwoordig was in de vorm van een kanten bef - cravat - is niet duidelijk, maar de elite besteedde er vermogens aan en het was de manier bij uitstek om weelde ten toon te spreiden. Naarmate stoffen algemener verkrijgbaar werden zakte de gewoonte naar ook lagere sociale milieus tot die waar men een katoenen zakdoek om de hals knoopte. Van het woord cravat wordt gezegd dat het een verbastering is van Kroaat: tijdens de dertigjarige oorlog nam Lodewijk XIII Kroatische huurtroepen in dienst, die bepaalde shawls droegen en als regiment bekend werden onder de naam Cravate Royale.

De door mij zo gewaardeerde stropdas begon in de vorige eeuw als clubdas, waarbij iedere sport zijn eigen motiefje had. De aanstichters waren de roeiers van het Exeter College in Oxford die in 1880 de bandjes van hun strooien hoeden afhaalden en met een four in hand knoop om hun hals bonden.

Een mode was geboren en was helemaal niet meer te stuiten toen in hetzelfde jaar het Britse leger besefte dat de kleurige uniformen - bedoeld ter onderscheiding van de diverse regimenten - wel een erg gemakkelijk doelwit vormden voor de vijand. De regimentskleuren trokken zich terug op de das. In de Eerste Wereldoorlog was het door schaarste aan stoffen afgelopen met de extravagantie in de kleding van rijke mannen. Bovendien: 'Soldiers grew used to more comfortable styles and were reluctant to return to the rigid contrictions of collars and elaborate arangements of material of their fathers.'' En zo werd de das het detail waarin men op een nonchalante manier elegantie kon tonen.

Dat soort dingen vind ik leuk om te lezen; dat iets wat nu als stijf en formeel te boek staat ooit begonnen is en beleefd werd als makkelijke dracht: 'Pacifists adopted soft shirts and loose four-in-hand ties.''

Hoewel het boek een paar apetijtelijke heren met stropdas toont ben ik van Sarah Gibbings niet wijzer geworden waarom ik de knoop op die plaats toch zo aantrekkelijk vind. Is het omdat hij als mijn vader gebogen stond over mijn wieg en box een blikvanger moet zijn geweest en daarmee een wezenlijk onderdeel van mijn vroegste inprentingen van het verschijnsel 'man'? Of is het omdat de manlijke filmsterren waar ik in de jaren vijftig op viel er allemaal nog geregeld een om hadden?

Als er meer vrouwen zijn zoals ik hoeven mannen die deze maand een stropdas cadeau krijgen dit in ieder geval niet op te vatten als gebrek aan fantasie van de geefster.