Computers op eigen kracht

De trofee staat wat achteloos tussen de computers en de planten. Maar leerkracht en - volgens zijn kaartje - 'informatica coördinator' Dick Groenendijk glimt van trots als hij de geometrische sculptuur laat zien. 'Computerschool van het Jaar 1993', meldt een plaatje op het sokkel. De ViolenSchool, een openbare basisschool met ruim zevenhonderd leerlingen in het centrum van Hilversum won deze prijs voor het geavanceerde gebruik van de computer in het onderwijs. Groenendijk denkt dat hij zo'n vijf jaar vooruitloopt op de gemiddelde basisschool.

In zijn school heeft hij een computernetwerk opgebouwd, zodat kinderen die aan een apparaat gaan zitten werken eenvoudig kunnen inloggen op een van de vele programma's die de school de laatste jaren, vaak op eigen kracht, heeft ontwikkeld. Andere delen van het netwerk zijn alleen toegankelijk voor leerkrachten of directie. In een diepe kast staat het centrale brein, niet groter dan twee schoenendozen, vandaaruit lopen kabels door het hele gebouw, naar ongeveer tachtig computers. Elke bovenbouwklas heeft nu de beschikking over vier beeldschermen. Een aantal dat ook voor de andere groepen wordt nagestreefd. Verspreid over de langgerekte school staan ook vijf printers opgesteld; de kinderen kunnen nu zelf hun werk printen en aan de leraar laten zien. Sommige computers staan in de klas opgesteld, anderen in werkhoeken op de gangen die door het openen van schuifdeuren bij de klas kunnen worden getrokken.

Daniël, leerling in de bovenbouw, laat zien hoe het visueel dictee werkt. Behendig roept hij met de muis het programmaonderdeel op. Er floepen woorden aan en uit op zijn scherm, hij tikt ze na. Daniël kan tempo en moeilijkheidsgraad zelf instellen, evenals het type woord dat hij wil oefenen. Even verderop zitten twee kinderen met het speciaal voor zwakke lezers ontwikkelde programma Copal te werken. Dit is een programma met beeld en geluid. Via de koptelefoon horen ze klanken, woorden of zinnen, met de muis of het toetsenbord vullen de kinderen zelf de gevraagde informatie aan op het scherm. Ze gaan met sprongen vooruit, aldus Groenendijk.

Dat de computer zich op deze Hilversumse basisschool zo voorspoedig kon nestelen ligt behalve aan de inspanningen van Dick Groenendijk, ook aan de bijzondere manier van lesgeven op de ViolenSchool. Al jaren werkt men volgens het eigen 'circuitmodel'. In dit onderwijssysteem worden de kinderen gestimuleerd om zich de leerstof eigen te maken op een manier die het beste bij hen past en hen het meeste aanspreekt. Zo kent elke klas een 'doe-hoek', een lees-en een schrijfhoek, een luisterhoek en een computerhoek. De leerlingen kunnen werkwoordsvormen of breuken zo op vijf verschillende manieren onder de knie krijgen. Al het lesmateriaal is door de leerkrachten zelf ontworpen. De stap naar het vervaardigen van computerprogramma's was dan ook niet zo geweldig groot, bovendien bleek de computer voor veel kinderen een welkome aanvulling op de bestaande werkvormen.

Wat de school op computergebied voor elkaar heeft gekregen is op eigen kracht bereikt. De apparatuur heeft Dick Groenendijk van de vrijwillige ouderbijdrage bij elkaar gespaard. Zijn computerkennis heeft hij goeddeels in zijn vrije tijd vergaard. Hij ritselt wel eens wat met bedrijven die overstappen op modernere apparatuur; hij kent weer iemand die tegen kostprijs reparaties wil uitvoeren, maakt dankbaar gebruik van het principe van dienst en wederdienst en schakelt ouders in die meehelpen met kabels leggen en programma's ontwerpen.

Het ministerie van onderwijs is een groots opgezet computerproject begonnen voor basisscholen - het Comenius-project - maar Groenendijks kritiek op dat initiatief is niet mals. 'Er wordt op de scholen één computer gedumpt voor elke zestig leerlingen, men krijgt er nog een pakket software bij en een cursus, voor het overige moet iedereen het zelf maar uitzoeken.'' Ook de keuze voor het gebruikersonvriendelijke MS-DOS-systeem is wat hem betreft een stomme zet geweest, voornamelijk ingegeven door de malaise bij Philips. Verder is de overheid volgens hem niet in staat om 'op schoolniveau te denken''. Uit onderzoek is gebleken dat op veel scholen de Comenius-computers nog niet uit de doos zijn gehaald of alleen voor de leerling-administratie worden gebruikt. De kinderen hebben er niets aan. Een ander probleem is het gebrek aan goede programma's voor het onderwijs. De groten op computergebied investeren niet, omdat de markt te klein is. Maar het afzetgebied zal klein blijven als scholen door een minimaal budget gedwongen zijn om op grote schaal programma's te kopiëren.

Groenendijk zoekt al een tijdje tevergeefs sponsors voor de uitbreiding van zijn computernetwerk. Bedrijven vinden de basisschool-leerling kennelijk niet interessant genoeg. Ook is hij voortdurend op jacht naar bedrijven die hun computerpark vernieuwen en het oude spul voor een zacht prijsje van de hand willen doen. Het blijft behelpen.

Een regionaal netwerk van gewone scholen die zich toeleggen op de begeleiding van de allerslimste kinderen zou volgens Pieter Span vooralsnog de beste oplossing zijn. Zelf is Span als adviseur betrokken bij het opzetten van een verrijkingsproject op de Wolfert van Borselen scholengemeenschap in Rotterdam. Leerlingen die snel door de stof heen zijn mogen geen andere dingen gaan doen, zoals op het Nijmeegse gymnasium, maar krijgen door de docent in kwestie meer en moeilijker leerstof aangeboden. 'Curriculum-nabij' is de term die Span voor deze Rotterdamse aanpak heeft gekozen.