Bij hartaanval is vlug bellen beter dan nog snellere ambulance

Slachtoffers van een hartaanval hebben de beste overlevingskans als ze zo snel mogelijk naar het ziekenhuis gaan. Voor ze daar zijn moeten ze eerst de hartaanval onderkennen en de dokter (laten) bellen. Deze moet komen en tenslotte rijdt een ambulance ze naar het ziekenhuis.

Belangrijk voor de overleving van de patiënten is dat onregelmatige samentrekkingen van het hart (fibrilleren) snel worden gestopt met een defribillator. Cardiologen gaan de nog aanwezige stolsels in de kransslagaderen van hart snel met een stolseloplossend middel te lijf om afsterven van een stukje hartspier stroomafwaarts van het stolsel te voorkomen.

Een hartaanval geeft een sterftekans van 30 à 40%. De helft tot driekwart van de dodelijke slachtoffers overlijdt binnen een uur na het infarct. De sterfte aan het hartinfarct is de afgelopen decennia sterk teruggedrongen, vooral door hartbewakingscentra, snelle dokters- en ambulancehulp en het beschikbaar komen van stolseloplossers. Om de sterfte en invaliditeit verder te reduceren richten medici hun aandacht ook nu nog op snelle dokters, gierende ambulances en het merk en het moment van toedienen van stolseloplossers.

Dat laatste is vreemd, schrijft medisch psycholoog R. Beunderman in zijn proefschrift, want: 'De grootste vertraging treedt meestal op in de periode waarin de patiënt besluit medische hulp in te roepen.'' Beunderman promoveerde onlangs aan de Univeristeit van Amsterdam.

Beunderman onderzocht de versschillen tussen patiënten die snel naar de telefoon grijpen en patiënten die (te) lang dralen met het alarmeren van een arts. Waarschuwingssymptomen, ernst van de hartaanval, medische voorgeschiedenis van de patiënt, sociale context en kennis over het nut van een snelle reactie bleken nauwelijks van invloed. Toch laten mensen die een hartaanval doormaken de telefoon soms staan en zwijgen tegen hun gezinsleden over hun pijn.

Psychologen interpreteerden het uitstelgedrag vaak als een verdedigingsmechanisme. Patiënten verbijten hun pijn om geen medische hulp te hoeven inroepen zodat zij de gevreesde diagnose niet zullen horen. Beunderman denkt dat het geen verdedigingsmechanisme is. Hij hoorde dat patiënten hun gedrag aanpassen als ze de voorstadia en verschijnselen van een hartaanval meemaken.

Sommige patiënten gebruiken dan voorgeschreven of vrij verkrijgbare medicijnen, drinken een borrel of roken een sigaret, iets waarvan ze denken dat het de symptomen onderdrukt. Patiënten lopen niet helemaal weg voor de verschijnselen, maar ze passen zich aan. Dat adaptieve gedrag is met enige moeite beïnvloedbaar.

Gedragsbeïnvloeding kan gebeuren door voorlichting, bijvoorbeeld aan mensen die al eens een hartaanval hebben overleefd. Maar dit kan weer angst en paniek oproepen bij mensen die erg bang zijn voor een nieuwe hartaanval. Zij bellen vaak de dokter en ambulance als ze onschuldige verschijnselen als verontrustend interpreteren. De kunst is om alleen mensen die een echte hartaanval doormaken naar de telefoon te laten grijpen.