Taak van 'Gebroeders Bever' verplaatst naar vrije markt; Monopolie stoomwezen eindigt

DEN HAAG, 8 DEC. Ze worden wel de 'Ed en Willem Bevers' van het ministerie van sociale zaken en werkgelegenheid genoemd, want ze hebben natuurlijk wèl iets met manometers, de ambtenaren van de Dienst voor het Stoomwezen (DSW). “Het zijn hoogopgeleide mensen in ketelpakken”, spreekt P. Ulenbelt van de Industriebond FNV waarderend.

Ulenbelt is een van degenen die twijfel hebben over de vraag of taken die de DSW-ambtenaren verrichten zich wel zo eenvoudig lenen voor het spel van de vrije markt. Is “veiligheid handelswaar”, vroegen de stoomambtenaren enkele jaren geleden ook zelf retorisch in een interne notitie. Ontploffingen in de industrie, of liever gezegd, het voorkomen daarvan, zijn tot nu toe hun exclusieve werkterrein. Aan die monopoliepositie komt een einde, zoals dat, volgens afspraken die in de Europese Unie (de voormalige EG) gelden, eigenlijk voor alle overheidsdiensten moet. Voor het stoomwezen geldt dat er, conform de toekomstige richtlijn voor apparatuur onder druk, die nog bij de Europese Raad in behandeling is, een open stelsel moet komen voor aangewezen instellingen in de gehele Europese Economische Ruimte, dat wil dus zeggen: in de EG en de zeven EFTA-landen.

Anders dan in de meeste landen is de DSW in Nederland nog altijd een overheidsdienst met een monopoliepositie. De privatisering heeft elders eerder toegeslagen of het stoomwezen kende altijd al een andere organisatie, zij het dat monopolieposities in de praktijk bijna overal voorkomen. Zo kent Duitsland de Technische überwachungs Verein (TüV), een vereniging van fabrikanten van druktoestellen die de keurings- en controletaken voor haar rekening neemt.

De DSW heeft zich inmiddels neergelegd bij de onvermijdelijke privatisering en dat daarvoor een partner zoeken het beste is. De voorzitter van de dienstcommissie (ondernemingsraad voor ambtenaren), M.J.J. Geeratz, zegt: “Ook de medewerkers zijn tot de conclusie gekomen dat een hoogwaardige en goede partner onze redding betekent. Waar wij nu voor gaan strijden is een redelijke garantie op het gebied van de werkgelegenheid en voor onze sociale voorwaarden, zoals het functioneel leeftijdsontslag.” Voor mannen boven de 60, zegt hij, zijn de werkzaamheden die het stoomwezen moet verrichten fysiek al gauw te zwaar.

Het binnenhalen van opdrachten, het opereren in een concurrentiepositie, is niet een sterke kant van DSW, dat als overheidsdienst met de wet in de hand zijn werkzaamheden bijna 140 jaar in exclusiviteit kon verrichten. Minister De Vries (sociale zaken en werkgelegenheid) schreef de Tweede Kamer in maart van dit jaar dat hij na onderzoek had afgezien van de mogelijkheid DSW als zelfstandige eenheid te privatiseren. Dat was “gezien de te verwachten concurrentie riskant”, meende hij. Samenwerking met “een bestaande private instelling die qua ervaring en takenpakket een goede aanvulling op de DSW zou kunnen bieden” was volgens de minister wel een goede mogelijkheid.

Inmiddels verwacht de minister nog dit jaar een principe-overeenkomst met een toekomstige partner te kunnen sluiten om de samenwerkingsoperatie volgend jaar door te voeren. De Europese richtlijn die in het open stelsel voor het stoomwezen voorziet gaat medio 1996 in.

Het zijn goede, buitenlandse bekenden van de DSW die nu, in het laatste stadium, nog in de race zijn voor de samenwerking. Zij zijn overgebleven van twaalf gegadigden. In eerste instantie stonden op het lijstje van DSM-directeur het Zwitserse bedrijf SGS en het Noorse DNV op het lijstje, onlangs is daaraan ook het Britse bedrijf LLoyd's/RTD toegevoegd (uit deze naam mag terecht worden afgeleid dat in Engeland de keuring in het kader van het stoomwezen een taak is voor verzekeraars). Deze drie potentiële partners wordt deze maand een kijkje in de keuken van DSW geboden.

Wat minister Andriessen (economische zaken) betreft, was ook het Nederlands Meetinstituut zo ver gekomen. In een briefje aan zijn collega De Vries heeft hij onlangs nadrukkelijk gewezen op het bestaan van dit bedrijf, dat hij eind oktober nog met een bezoek vereerde. Het Nederlands Meetinstituut (NMi) is in de jaren tachtig geprivatiseerd; voor die tijd was het als het IJkwezen een onderdeel van het ministerie van economische zaken. Anders dan DSW is het NMi, met vestigingen in Delft en Dordrecht, destijds wel zelfstandig de markt opgegaan. De aandelen zijn in handen van de overheid; het NMi fungeert inmiddels als houdstermaatschappij van vier besloten vennootschappen.

Een goede partner is, vindt DSW'er Geeraatz, vooral van belang om in Nederland de kennis op het gebied van het stoomwezen niet verloren te laten gaan. Omdat de DSW al jaren in reorganisatieprocessen verkeert (in 1980 telde de dienst nog 240 formatieplaatsen, nu 150), en terughoudend is bij het vervullen van vacatures is het personeelsbestand al behoorlijk aan het vergrijzen. Zonder een stevige partner, vreest hij, komt deze veiligheidscontrole van de Nederlandse industrie geheel in buitenlandse handen.

Inmiddels maken acht bedrijven in Nederland, met eigen bedrijfsinspectiediensten, zich sterk voor grotere eigen bevoegdheden. Dat zijn Akzo, Shell, ESSO, DSM, Dow Chemical, NAM, Gasunie en General Electric Plastics. In hun optiek zou het toekomstige bedrijf waarin DSW opgaat - dat aan de hand van een door het ministerie verstrekt certificaat gaat werken - een kleinere rol moeten krijgen. Minister De Vries beraadt zich nog op de diverse mogelijkheden, ook al omdat de wettelijke rol van de overheid bij het stoomwezen niet geheel verdwijnt. Het gevolg is dat de minister ook vandaag nog niet kan laten weten hoeveel DSW'ers naar het geprivatiseerde bedrijf gaan en hoeveel er op zijn departement achterblijven.