Paul Feld regisseert eigen, al te fantasievolle toneeltekst over Alexandrine Tinnen bij Fact; Groteske dromen vol onuitroeibare vooroordelen

Voorstelling: De laatste tropische reis van Alexandrine Tinne door Fact i.s.m. Growing Up in Public. Tekst en regie: Paul Feld; decor: Catharina Scholten; spel: Carly Wijs, Bart Klever, Olaf Malmberg, John Serkei, Marline Williams. Gezien: 3/12 Lantaren Rotterdam. Aldaar t/m 11/12, tournee t/m 28/1.

In de negentiende eeuw, toen reizen nog een even ongewis als romantisch avontuur was, bekeek de steenrijke Haagse dame Alexandrine Tinne vanuit haar draagstoel het Afrikaanse continent en schreef daarover in brieven naar huis. De jonge vrouw in Paul Felds nieuwe en door hem zelf bij Fact geregisseerde toneeltekst De laatste tropische reis van Alexandrine Tinne zou een ontdekkingsreizigster als Alexandrine Tinne willen zijn, maar zo'n wens is anno 1993 een anachronisme. Net zo anachronistisch en irreëel als ontmoetingen met de hertog van Alva, dokter Livingstone, Mata Hari, Zulu-koning Shakazulu en Tarzan. En toch is dat wat in het stuk van Feld gebeurt: de jonge vrouw treedt in de voetsporen van Tinne en maakt in Afrika kennis met bovengenoemde historische en fictieve figuren.

Een dergelijke situatie is typerend voor het werk van Paul Feld. De werelden die hij in het theater schept zijn droomwerelden die weinig met de werkelijkheid van doen hebben. Net als in De Seance, dat hij twee jaar geleden schreef en ook bij Fact ensceneerde, speelt in het nieuwe stuk de verbeelding een cruciale rol en maken we met de hoofdpersoon in feite een reis door haar hoofd. Alleen met dat verschil dat Feld indertijd het werk van Franz Kafka als uitgangspunt gebruikte, wat zowel hem als de toeschouwer enig houvast bood, terwijl De laatste tropische reis van Alexandrine Tinne de indruk wekt dat zijn fantasie deze keer hopeloos op hol is geslagen.

Wat Feld met dit stuk nu eigenlijk beoogt te zeggen is mij althans volstrekt ontgaan. Op een ironische en groteske manier appelleert het aan allerlei onuitroeibare vooroordelen die in het 'beschaafde' Europa bestaan over het 'primitieve' Afrika. De cliché's die we in de vijf korte bedrijven voorgeschoteld krijgen variëren van een niet-blanke kok in een lendedoekje die met Tarzan wordt aangesproken en de sneer dat “inlanders niets liever doen dan het met dieren doen”, tot voodoo en een in tijgervellen gehulde Zulu-leider met een botje door zijn neus die de blanke reizigster in de kookpot stopt. Dat de tekst intussen niet gespeend is van kritiek op het koloniale verleden van het Westen mag onder meer blijken uit de opmerking van de Zulu dat zijn volk nu de overwonnen Europese trots te eten krijgt.

Hoe luchtig we dit alles desondanks dienen op te vatten wordt - ten overvloede - benadrukt door het geforceerde spel dat geëxalteerd, bombastisch en lawaaiïg is. Er wordt veel gebruld en gehuild, maar er zijn dan ook verschillende doden te betreuren. De jonge vrouw rijgt ze één voor één aan haar mes: de mannen die zich bevredigen met dode soepkippen en zich met hun seksuele fantasieën en verlangens (“ik wil heel zachtjes in uw gezicht poepen, ik wil dat u mijn poep eet, lik het maar uit mijn gaatje,”) aan haar opdringen alsof zij hun bezit is.

Het perverse van deze situaties is dat de vrouw ze in feite zelf opzoekt. Als de hertog van Alva ('Vlaatje') haar Paloma noemt is ze onmiddellijk bereid zijn vrouw te zijn, naast Tarzan wordt ze Jane, bij Shakazulu heet ze koningin Zenobia, enzovoort, enzovoort - haar identiteiten zijn legio en elke keer stort ze zich met overgave in de rollen die voor haar worden bedacht. Carly Wijs in haar merkwaardige tenue (een blouse met capuchon onder een op de rug dicht geregen jakje en een wijde kniebroek onder een schort) speelt de vrouw als een naïeve dweepster die de dingen neemt zoals ze zijn. Haar spel is weliswaar niet vrij van gewild komisch gedrag maar over het algemeen toch beter te verteren dan de melige rollen van de vier overige acteurs.