Ontwikkelingslanden moeten op Gatt toeleggen

Een eventueel GATT-akkoord moet volgens de oorspronkelijke doelstellingen zeker ook ten goede komen aan de ontwikkelingslanden. Maar de kans bestaat dat hun importen duurder worden en hun exporten goedkoper.

Na zeven magere jaren van moeizaam onderhandelen is de opkomende euforie over een mogelijk GATT-akkoord in de Uruguay-ronde begrijpelijk. Er worden van een dergelijk akkoord grote wonderen verwacht. De wereldeconomie als geheel krijgt een impuls van bijna tweehonderd miljard dollar, zo wordt geschat. Zeven vette jaren staan voor de deur.

De meeste ontwikkelingslanden hebben bij de onderhandelingen vanaf het begin buitenspel gestaan. Toch staat er juist ook voor hen veel op het spel. Terwijl het overgrote deel van die landen, vaak onder druk van de internationale gemeenschap, de laatste jaren hun grenzen openden voor importen uit de rijke landen, hielden diezelfde rijke landen de poort gesloten. Een GATT-akkoord moet aan die voorkeurspositie voor de rijke landen een einde maken. Exporten van ontwikkelingslanden krijgen daardoor meer kans. Maar er is meer te winnen: het vaststellen van regels voor de omgangsvormen in het internationale handelsverkeer biedt de zwakkere deelnemers in dit verkeer een zekere bescherming tegen de sterkeren.

Zo is er de regel van non-discriminatie die voorkomt dat voordeeltjes wel aan de één maar niet aan de ander worden gegeven. Zo hebben ontwikkelingslanden daarnaast het nauwkeurig omschreven recht om van de rijke landen concessies te eisen die ze zelf niet hoeven te doen. Zo is er ten slotte, in het geval van handelsconflicten, het GATT-panel van onafhankelijke deskundigen die bezien of de regels wel goed zijn toegepast. In beginsel is een GATT-akkoord dus juist ook goed voor de zwakkere landen. Het akkoord dat er nu aankomt zet dit beginsel echter flink op de tocht.

Het lijkt er op dat de tweehonderd miljard dollar aan baten zeer ongelijk over de wereldgemeenschap verdeeld zal gaan worden. Door het afschaffen van subsidies stijgen de voedselprijzen. Dat is op de lange termijn goed voor de boeren in ontwikkelingslanden, maar op de kortere termijn slecht voor de mensen (en landen) die op de import van voedsel zijn aangewezen. De prijzen van hun noodzakelijke importen stijgen door een GATT-akkoord met miljarden dollars. Voor een aantal ontwikkelingslanden wordt dat probleem nog verergerd doordat de prijzen van hun exporten dalen. Voor koffie, cacao en rijst bijvoorbeeld wordt verwacht dat een mogelijk GATT-akkoord tot een vergroting leidt van het aanbod op de wereldmarkt en daardoor tot een daling van de prijs. Zo wordt een aantal van de armste ontwikkelingslanden door een GATT-akkoord in de tang genomen: hun importen worden duurder, hun exporten dalen in prijs.

Met een verdere liberalisering van de wereldhandel dreigt bovendien het kind met het badwater te worden weggegooid. Als een GATT-akkoord betekent dat de preferenties die voor ontwikkelingslanden nog bestaan verder worden uitgehold dan is een akkoord voor die ontwikkelingslanden onwenselijk. Dat laatste dreigt te gebeuren als bijvoorbeeld Ivoorkust geen heffing meer mag leggen op door de Europese Unie op hun markt gedumpt vlees. Of als er een einde wordt gemaakt aan de voorkeursbehandeling die de Afrikaanse en Caraïbische landen op grond van het Verdrag van Lomé krijgen op de Europese markt.

Het kan geen kwaad er nog eens aan te herinneren dat de Uruguay-ronde niet alleen tot doel heeft om de wereldhandel vrij te maken. In het mandaat dat de onderhandelaars in 1986 in Punta del Este meekregen staat letterlijk dat ze zich inspanningen moeten getroosten om “de stroom geldmiddelen en investeringen in de richting van ontwikkelingslanden te vergroten.” Nu dreigt het omgekeerde: hoe rijker het land, des te meer het profiteert van een GATT-akkoord; de armste landen in Afrika leggen er nog miljarden dollars op toe.

Een dergelijk akkoord is in strijd met het mandaat van Punta del Este en mag niet getekend worden. Als de baten voor de wereld als geheel inderdaad bijna tweehonderd miljard dollar bedragen, dan moet het een kleine moeite zijn om de armste ontwikkelingslanden voor de nadelen van het akkoord te compenseren. Dat moet niet achteraf gebeuren, maar als onderdeel van het akkoord. Dat kan op allerlei manieren: door handhaving van preferenties, door versnelde opheffing van handelsbarrières voor exporten waar ontwikkelingslanden juist sterk in zijn (textiel!), door de overeengekomen gemiddelde tariefreducties met voorrang voor groepen van ontwikkelingslanden effectief te maken, en door de herwaardering van internationale grondstoffenovereenkomsten voor juist die produkten (koffie, cacao) die als gevolg van een GATT-akkoord in prijs dalen.

Tussen het bereiken van het GATT-akkoord en het formeel afsluiten van de Uruguay-ronde moet er, zo is in Punta del Este afgesproken, een evaluatie plaatsvinden van de gevolgen van het akkoord voor de ontwikkelingslanden. Die evaluatie dreigt door de begrijpelijke opluchting die een eventueel akkoord met zich meebrengt in het gedrang te komen. De kans is immers groot dat er nieuwe complicerende gegevens boven tafel komen. En wie zit daar nu op te wachten? Nederland in elk geval niet. Zelfs minister Pronk heeft, zo bleek tijdens de behandeling van zijn begroting in de Tweede Kamer, geen enkele behoefte aan verder uitstel van het akkoord om de negatieve gevolgen voor ontwikkelingslanden te repareren.

De minister is ervan overtuigd, zo hield hij de Kamer voor, dat de nieuwe dynamiek die een akkoord de wereldhandel schenkt ook voor de ontwikkelingslanden op termijn positief zal zijn. Dat is gezien de lange traditie van wat in de kritische ontwikkelingseconomie 'ongelijke ruil' wordt genoemd een nogal a-historische en ietwat naïeve benadering.

Een dergelijke houding is daarbij in strijd met het mandaat voor deze onderhandelingen. Nederland zou er beter aan doen om juist te helpen bevorderen dat er een voor alle partijen aanvaardbaar akkoord komt. Vrijmaking van de wereldhandel is geen doel maar middel. Een verdere vergroting van mondiale welvaartverschillen is als uitkomst van de Uruguay-ronde niet acceptabel.