Nieuwe elan voor geteisterd bisdom

Iedereen die zich maar enigszins kon verdiepen in de 'histoire intime' van katholiek Nederland, wist dat de opvolging van bisschop drs. Ph. Bär in Rotterdam een delicate aangelegenheid zou worden. De wijze waarop die opvolging is geregeld verdient alle lof, al moet vooral de nieuwe bisschop, drs. Ad van Luyn, geprezen worden, omdat hij ondanks doorwaakte nachten deze benoeming heeft aanvaard. De dag voor zijn benoeming werden de jaarlijkse kerncijfers van de katholieke kerk in ons land gepubliceerd, met een deskundig commentaar van de Tilburgse socioloog drs. Th. Schepens. Het ging niet zo goed met de katholieke kerk in ons land. Misschien heeft de kandidaat-bisschop ook daarom geaarzeld voordat hij de benoeming zou accepteren. Een zwak bedrijf neem je niet graag over.

Kerkelijke statistieken hebben altijd nieuwswaarde, zeker als het slecht gaat. In de ANP-berichten van 26 november over de toestand van de katholieke kerk, die zelfs bij de nieuwsdienst op de radio te horen waren, domineerde de achteruitgang van het katholieke volksdeel in ons land. Volgens de kerkelijke administratie een daling tussen 1975 en 1993 van 40 procent naar 36,3 procent. In 1993 zijn er 110.000 katholieken minder dan in het topjaar 1983. Het kerkbezoek daalt in alle bisdommen. Relatief het snelste in het bisdom Den Bosch, maar dat was al zo onder bisschop Bluyssen.

Toen het Katholiek Sociaal Kerkelijk Instituut (Kaski) met de jaarlijkse publikatie van deze cijfers begon, hadden bisschoppen het er moeilijk mee. Gelovige en actieve leden van een kerkgenootschap worden gemakkelijk gedemoraliseerd als er slechte resultaten bekend worden en bovendien wordt de bekwaamheid van bisschoppen om leiding te geven door slechte rapportcijfers in diskrediet gebracht. De Nederlandse kerken, zoals de rooms-katholieke kerk en de Nederlands hervormde kerk, waarvoor het Kaski ook statistieken verzorgt, zijn met gegevens over hun eigen situatie altijd openhartig geweest. Maar statistieken zijn alleen zinvol wanneer oorzaken van de schommelingen worden onderzocht en men daarna tot beleidsvoorstellen komt. Dat geldt ook voor de kerkelijke statistiek.

De eigenlijke oorzaken van de achteruitgang komen bij uitsluitend statistisch onderzoek niet aan de orde. Die zijn nooit door een fundamentele studie aan het licht gebracht. Door de serie benoemingen van polariserende bisschoppen, die alleen maar de woede opwekten van het merendeel van de actieve gelovigen, werden vooral de bisdommen in de Randstad getroffen. Daar begon het aantal katholieken het eerst te dalen (sinds 1978). Sindsdien heeft het bisdom Haarlem 100.000 katholieken minder (een verlies van 13 procent) en het bisdom Rotterdam telt thans 56.000 katholieken minder dan in 1978. Het heeft mij altijd verbaasd dat die aantallen uittredingen, mede door het kerkelijke kolonisatie-proces, niet veel hoger zijn geworden. De vroegere generaliteitslanden in het Zuiden, die bij traditie weten hoe zij met onwillige bestuurders moeten omgaan, zijn redelijk overeind gebleven, al is er daar, met uitzondering van het bisdom Breda, ook grote schade aangericht. Zuidelijke katholieken hebben een zekere flexibiliteit en gemoedelijkheid in de trant van 'het zal mijn tijd wel duren'.

Volgens Theo Schepens komt dit er per saldo op neer dat het (kwantitatieve) zwaartepunt binnen de Nederlandse kerkprovincie, dat altijd al in het zuiden heeft gelegen, zich nog sterker in zuidoostelijke richting verplaatst, ten koste van de bisdommen in de Randstad. Hij voegt er nog een hypothese aan toe: “Een verklaring voor deze verschuiving is dat katholieken zich in een onkerkelijke omgeving veel moeilijker weten te handhaven en veel vaker tot kerkverlating overgaan dan katholieken in een minder onkerkelijke of kerkelijk meer homogene omgeving. Voor protestanten geldt iets dergelijks overigens niet. Die zijn minder van hun omgeving afhankelijk dan katholieken.”

Een interessante these, die wel meer onderzoek vergt dan tot nu toe, omdat de katholieken 'in de diaspora' in het meest noordelijke bisdom Groningen zonder een 'polariserende' bisschop, maar met een van oudsher sterke plattelandsonkerkelijkheid, bijzonder goed stand houden.

Een andere factor, waarvan de vitaliteit van een kerkgenootschap sterk afhankelijk is, heeft betrekking op het bestand aan pastorale krachten. Voor de rooms-katholieken zijn dit traditioneel de priesters en alleen zij mogen de sacramenten toedienen. In 1975 was er weinig variatie binnen de ambtsbediening: 96,6 procent bestond uit priesters. In 1993 is hun aandeel gedaald tot 72,5 procent. Nu is 5,9 procent diaken en niet minder dan 21,5 procent pastoraal werker of pastoraal werkster. De vrouwelijke categorie stijgt het sterkst. De pastorale bevoegdheden van de niet-priesters zijn nog steeds sterk beperkt, maar hun aandeel in het pastoraat is praktisch onmisbaar geworden.

Het overal in de katholieke kerk dreigende priestertekort wordt door dit type 'pastoors' gecompenseerd en zou in de toekomst wel eens plaatsvervangend kunnen worden. In een recent onderzoek van Gallup in de VS is er een trend geconstateerd tussen 1985 en 1993, ook onder regelmatig praktizerende katholieken. Een grote meerderheid wenst het priestertekort op te lossen door communie-diensten, waarbij diakens of leken voorgaan. Hetzelfde geldt voor de toediening van het Doopsel (63 procent) en voor de kerkelijke huwelijkssluiting (56 procent) (Nat. Cath. Reporter, 8/10).

Het aantal priesters zal in de komende jaren nog afnemen. Schepens verwacht terecht in de toekomst een toename van het aantal afgestudeerde theologen, die pastoraal werkzaam willen zijn in de kerk.

De nieuwe bisschop wil zich richten op de jeugd en op de versterking van het pastoraat. Door zijn komst heeft het zo geteisterde bisdom Rotterdam in ieder geval weer nieuwe veerkracht gekregen.