Nederlands onderwijs blijft steken in middenmoot

ROTTERDAM, 8 DEC. In het OESO-rapport Education at a glance is Nederland een echte middenmoter. Het enige waarin Nederland zich positief onderscheidt is in de uitgaven voor hoger onderwijs. Maar dat gegeven is volgens het CBS en het ministerie van onderwijs gebaseerd op een statistische vertekening.

Volgens de cijfers van OESO wordt in Nederland per student drieënhalf keer meer aan hoger onderwijs uitgegeven dan aan het basisonderwijs. Alleen in Ierland en Hongarije is die verhouding nog sterker in het voordeel van het hoger onderwijs.

De uitgaven voor basis- en voortgezet onderwijs zitten onder het OESO-gemiddelde. Maar volgens het ministerie en het CBS worden de uitgaven voor hoger onderwijs door de OESO vrij sterk overschat, vooral omdat in Nederland de studiefinanciering in de onderwijsbegroting wordt meegenomen en in de meeste andere landen niet. In feite geeft Nederland dus nog minder uit aan onderwijs dan uit de OESO-grafieken blijkt.

Dat er in Nederland veel is bezuinigd op de onderwijsuitgaven blijkt ook uit de wijze waarop de onderwijsgelden worden besteed. In 1988 gaf Nederland nog 9,1 procent van het totaalbedrag uit aan kapitaalinvesteringen in het onderwijs (gebouwen en dergelijke), in 1991 was dat nog maar 5,1 procent. Alleen in Zweden en Ierland is in dat jaar minder aan gebouwen besteed. In tijden van bezuiniging wordt doorgaans eerder gesneden in investeringen dan in salarisuitgaven. Het OESO-gemiddelde voor 1991 is 9 procent van de uitgaven voor investeringen. In Duitsland en Zwitserland gaat meer dan 10 procent naar kapitaalinvesteringen.

In het aantal scholieren per docent in het basis- en voortgezet onderwijs (inclusief speciaal onderwijs) scoort Nederland middelmatig. In het basisonderwijs zijn er gemiddeld 19,7 scholieren per docent, waarmee Nederland op de tiende plaats staat van op een lijst van zeventien landen waarvoor dit cijfer berekend is. Finland scoort het laagste aantal scholieren per onderwijzer (8,8) gevolgd door België (9,7) en Noorwegen en Zweden met ruim tien. Duitsland heeft 20,5 basisscholieren per onderwijzer, Turkije 30,4. In het Nederlandse voortgezet onderwijs zijn 15,9 scholieren per docent. Nederland staat hiermee op een tiende plaats, van de zestien OESO-landen waarvoor dit cijfer berekend is. België heeft het laagste aantal: 7,7.

Ook in de deelname aan het onderwijs scoort Nederland gemiddeld, een elfde plaats van de 24. In Nederland is 55,2 procent van de bevolking van 5 tot 29 jaar bezig onderwijs te volgen, ongeveer evenveels als in Noorwegen, de Verenigde Staten en Denemarken. Duidelijk hoger scoren Nieuw Zeeland (65,6 procent) en Canada (60 procent).

Opmerkelijk is dat Nederland wel het hoogste scoort als het gaat om de participatiegraad van zestienjarigen in het voortgezet onderwijs (97,2 procent), voor zeventienjarigen scoort alleen Duitsland hoger. Het voortgezet onderwijs is dus goed bezet in Nederland. In deelname aan het hoger onderwijs behoort Nederland weer tot de middelmaat.

Over de kwaliteit van de onderwijs doet de OESO weinig uitspraken. Alleen het resultaat van een internationale leestest voor veertienjarigen is erin opgenomen. Nederland komt er niet zo goed van af. Van de achttien deelnemende landen scoort Nederland alleen beter dan Spanje en (Waals) België. Zeven landen scoren duidelijk hoger, waaronder Frankrijk, Zwitserland en de Verenigde Staten.

In Nederland blijken de resultaten van deze test beduidend te verschillen, als die per schoolsoort worden bekeken. Maar liefst vijftig procent van de variatie is te wijten aan de school waarop de leerling zit. In Finland is dat maar drie procent, in Frankrijk 35. Volgens het ministerie van onderwijs zijn de grote verschillen tussen scholen vooral te wijten aan het gedifferentieerde schoolsysteem in Nederland: op een LBO-school kunnen de leerlingen nu eenmaal minder goed leren dan op een categoriaal gymnasium. In de meeste andere landen bestaat een meer uniform systeem. Ook Duitsland, dat een met Nederland vergelijkbaar schoolsysteem heeft, heeft grote schoolverschillen in de OESO-cijfers (49 procent).