Meer van lekker

Het is een op zichzelf eigenaardige gedachte dat het akkoord over de wereldhandel stagneert, onder andere omdat twee fabrikanten van massavermaak het niet eens kunnen worden. Het uitzicht op een eruptie van globale bedrijvigheid wordt belemmerd door een conflict tussen twee nationale belangen die er juist op uit zijn zoveel mogelijk geld te verdienen door zoveel mogelijk mensen zo lang mogelijk in hun stoel gekluisterd te houden. Een van de laatste meningsverschillen die de opbloei van de globale produktiviteit in de weg staan, gaat over het amusement dat miljarden juist van hun produktiviteit afhoudt; of zich met hun inproduktiviteit zal verzoenen, in die zin dat ze, terwijl ze hun brood niet verdienen, in ieder geval nog de spelen krijgen? Van dat standpunt bekeken groeit het conflict tussen de Fransen en Amerikanen over de vrije markt voor de produkten van Hollywood plotseling tot een politiek-filosofisch vraagstuk.

De Fransen willen hun filmindustrie beschermen tegen de verpletterende export van Hollywood: dat is de bekende oorzaak van de stagnatie bij de uitbreiding van de GATT. Hieruit vloeien twee vragen voort. Waarom willen de Fransen dat, en hoe kunnen ze hun doel bereiken?

De Fransen willen het omdat ze er een middel in zien tot het bewaren van hun culturele identiteit die in hun geval congruent is met hun nationale identiteit. Als het zou gaan om de import van Amerikaanse boeken zouden ze zich geen zorgen maken, al was het maar omdat tot in de hoogste kringen geen Engels wordt gelezen. Het zorgwekkende zit hem in het kijken en het begrijpen van de simpele teksten die de noodzakelijke toegift bij de beelden zijn. In de strijd op het gebied van audio en video dreigen niet alleen de Fransen het onderspit te delven. Dat overkomt ook de fundamentalisten in Iran, ook de communisten in Peking en ook de gereformeerden in Staphorst.

In de onderhandelingen over de GATT hebben de Fransen grof gezegd twee economische manieren bedacht om zich te verdedigen. De eerste bestaat hieruit dat ze de toestemming zullen bedingen om hun eigen video-industrie te subsidiëren zoals de Europeanen in het algemeen al met hun vliegtuigindustrie doen. Er is zelfs gedacht aan een consortium tot het maken van film en televisie, analoog aan het Airbus-project. De Amerikanen zouden zich ermee kunnen verzoenen zolang het beperkt bleef tot 'kunstfilms' en niet aan de massaproduktie raakte. (Maar een Airbus is geen toestel voor kunstzinnige acrobatiek). De tweede methode is het beperken van de import uit Hollywood; en tegen dat denkbeeld verzetten de Amerikanen zich compromisloos omdat hun tweede exportartikel uit film en televisie bestaat. En ten derde kunnen de Fransen, of de Europeanen, zich verweren door de produkten van de eigen industrie zodanig te verbeteren dat ze concurrerend worden.

Dat is de kern van het vraagstuk. Niet van gisteren op vandaag heeft Hollywood een Luilekkerland ontwikkeld, met alles wat een zelfstandige beschaving eigen is: materiële en immateriële idealen, een moraal, zeden en gewoonten, helden en schurken, een complex dat op zichzelf een cultuur is; niet in werkelijkheid bestaand, maar een met de hoogste graad van universele aantrekkelijkheid: de utopie van het dagelijks leven, bijna onder handbereik. Dat complex is weer voortgekomen uit de bijzondere variant van de Westerse beschaving die de Amerikaanse is. Een complex van gelijkwaardige aantrekkingskracht valt door een andere variant van de Westerse beschaving - de Franse, de Nederlandse of welke dan ook - niet uit de grond te stampen. Daarvoor is het te laat.

Tegen de aantrekkingskracht van dit zich steeds vernieuwende Hollywood-complex zullen subsidiëring en quota-regelingen ook niet meer helpen. Dit eigenaardig simpele en toch rijk geschakeerde Luilekkerland van Hollywood is zo universeel smakelijk dat kunstmatige bestrijdingsmiddelen - subsidiëring en quotering - geen redding bieden. De economische belangen van satelliet en kabel zullen trouwens binnen een paar jaar al die attracties nog veel dichter binnen het bereik van iedere burger brengen, wat zijn regering daar ook van vindt of wat die over dit onvermijdelijk verschijnsel heeft beslist. Met andere woorden: het verzet tegen het 'cultureel imperialisme' is een gevecht tegen twee bierkaaien. Hollywood maakt meer van lekker en door de techniek wordt dit beter bezorgd.

Als de Franse onderhandelaars beter nadachten zouden ze tot de conclusie komen dat dit het probleem niet meer is. Het is achter de rug zonder dat het is opgelost; het is van probleem tot noodlot geworden. Het werkelijke vraagstuk dat hier nog moet worden ontdekt, ligt in de wending die de film- en televisieproduktie van Hollywood zal nemen. 'Aantrekkelijkheid' of 'verkoopbaarheid' is naar Amerikaanse maatstaven nooit voldoende. Er moet - dat schrijft de concurrentie voor - altijd iets worden gevonden dat nog beter verkoopbaar is. Het drama op de film en de televisie wordt voortdurend vernieuwd; de uitnodiging aan het publiek tot identificatie wordt telkens aangepast en nog dringender gemaakt. Over de methoden die daarbij worden gevolgd woedt in de Verenigde Staten al jaren het debat. Daarbij gaat het niet om de wondermonsters van Jurassic Park maar om het mengsel van romantisch sprookje en geweld, waarbij het sprookjesbestanddeel verder krimpt ten behoeve van het geweld. De Vereniging van Amerikaanse Psychologen heeft berekend dat in 1992 ieder Amerikaanse kind aan het einde van zijn lagere schooltijd 8000 moorden en 100.000 daden van geweldpleging op de televisie had gezien. Dit is in de Verenigde Staten het onderwerp van een fundamenteel debat: zelfbeperking van Hollywood op het gebied van moord en doodslag, vrije meningsuiting, censuur bij vertoning van allerhande geweld, het verband tussen kijken en doen, kortom, de zorgwekkende toestand van de publieke moraal. Dat is een veel groter complex dan het economische waarover het bij de GATT gaat. De Hollywoodse wetenschap om steeds meer kijklekkers te maken valt niet meer in te halen. Het gaat om wat dit kijklekkers voorstelt.