Lotta is verboden voor boven de acht

Lotta uit de Kabaalstraat (Lotta p©1a Brakmakargatan). Regie: Johanna Hald. Met Gret Havnesköld, Linn Gloppestad, Martin Andersson.

Vanaf 4 jaar. In: Amsterdam, Rialto; Rotterdam, Lantaren/Venster.

Een goede kinderfilm is een goede film, en dat betekent dat hij ook mooi gevonden wordt door volwassenen. Dit nogal eens gedebiteerde dogmaatje gaat vaak op: inderdaad is het ook voor een groot mens niet moeilijk om te genieten van geslaagde kinderfilms als Het zakmes van Ben Somboogaart, van Ineke Houtmans televisie-serie De freules of, om verder terug te gaan in de tijd, van Martijn en de magiër (Karst van der Meulen, 1979). Maar wordt het toegepast op films voor jongere kinderen dan gaat het wetje niet op. Kijk als volwassene naar Lotta uit de Kabaalstraat van de Zweedse cineaste Johanna Hald, en de verveling slaat toe, afgewisseld door ergernis. Op camera, licht en mise en scène is weinig aan te merken. Maar het tempo ligt laag, de dramatische lijn is uitgesplitst over allerlei incidentjes en dan is er ook nog in plaats van nasynchronisatie een vertelstem die, over de tot laag volume weggedraaide stemmen heen, samenvat wat de personages zeggen. Bezie de film samen met jonge kinderen en je realiseert je dat die een filmverhaal werkelijk anders ondergaan. Lotta uit de Kabaalstraat is een film die gebonden zou moeten worden door een omgekeerd leeftijdsadvies: niet voor boven de acht.

Die vertelstem is bijvoorbeeld voor jonge kinderen verre te preferen. Nagesynchroniseerde stemmen zijn, tenzij ze in de mond van geanimeerde figuren werden gelegd, vaak moeilijk te volgen. De lippen bewegen anders, de lichaamstaal spoort niet met de woorden die er te horen zijn en dat is hopeloos verwarrend wanneer je nog niet zo lang praat en verstaat.

Voor een anderhalf uur durend verhaal met een lange spanningsboog en een ingenieuze plot heeft de kleuter geen aandacht en geen geheugen: de grote en kleine avonturen - van niet mee mogen naar de snoepwinkel tot een broer die in het water valt en een oude buurvrouw met spullen van vroeger - die Lotta overkomen zijn overzichtelijk en des te interessanter.

Lotta uit de Kabaalstraat is gebaseerd op een boek van Astrid Lindgren, het boek dat, naar verluidt, Ingmar Bergman had willen verfilmen. Bergman had er ongetwijfeld meer een eigen film van gemaakt. Johanna Hald koos voor een pure, bijna onderdanige, Lindgren-aanpak. Ze filmde in het museum-dorp dat in Zweden aan Lindgren is gewijd in een sfeer en milieu die alleen bestaan in Lindgrens romans. De figuren ontwikkelen zich niet. Ze bewegen zich in helder, veelal geel licht en bestaan, nu, gisteren en altijd, in en om opgepoetste popperige huisjes waar nauwelijks verkeer komt. Deftige mensen duiken op om geplaagd te worden en er stapt nog een ouderwetse schoorsteenveger over de klinkers. Van modern amusement als de televisie is geen sprake. Hoeft ook niet, want de vrolijke kindman die de vader is speelt elke avond op de piano. De heldin (in dit geval de vijfjarige Lotta) heeft een hoog Pippi Langkous-gehalte: voor niets en niemand bang en altijd wel een gewiekst weerwoord. (Dame, met boze blik op een neus-met-snottebel: “Heb jij geen zakdoek, kind?” Lotta: “Ja, maar die leen ik niet uit.”)

Moeders zijn in deze constellatie lief en een beetje streng. Eigenlijk is Lotta's moeder het enige aanknopingspunt voor de volwassen kijker (en een prettig stabiel punt voor het kleuterpubliek). Zij geeft liefde, richting en standjes (ook aan de vader) en als Lotta pertinent weigert een hapje medicijn te nemen steekt ze de lepel maar in haar eigen mond.