Loodzware aanklacht tegen de WSJ

The Power And The Money: Inside The Wall Street Journal. Door Francis X. Dealy. Uitgeverij: Birch Lane. ISBN 1-55972-118-9. Prijs: 22,50 dollar.

Een welvarender lezerspubliek dan dat van The Wall Street is nauwelijks te vinden. De krant - met een verkochte oplage van 1,8 miljoen exemplaren en speciale edities voor de Verenigde Staten, Azië en Europa - geniet het vertrouwen van invloedrijke beleggers en politici. De berichtgeving van het dagblad wordt al jaren gekenmerkt door degelijkheid, objectiviteit en een vleugje conservatisme.

De krant - nog altijd wars van fotografie en schreeuwerige koppen - verdedigde het vrije ondernemerschap, steunde Nixon in de Watergate-affaire en gaf het begrip aanbodseconomie (supply side economics) gestalte. Zonder The Wall Street Journal zou een fenomeen als Reaganomics volstrekt ondenkbaar zijn geweest. De reputatie van de Journal als waakhond van de effectenbeurs heeft uitgeverij Dow Jones, die 95 procent van haar inkomsten uit de krant haalt, geen windeieren gelegd: het bedrijf kwam ooit uit een Fortune-enqûete tevoorschijn als de meest bewonderde onderneming van de Verenigde Staten.

Beleggers denken daar nu wel heel anders over. De winst per aandeel heeft een historisch dieptepunt bereikt. De omzet handhaaft zich nu al drie jaar lang op 1,7 miljard dollar, maar de netto opbrengsten gaan steeds verder achteruit. Met The Wall Street Journal, het vlaggeschip van de onderneming, gaat het ook al niet goed: de oplage is de laatste jaren met maar liefst 200.000 exemplaren gekelderd. De advertentie-inkomsten zijn met 28 procent gedaald. Maar ook journalistiek dreigt het blad volledig te worden uitgehold, waarschuwt Francis X. Dealy in zijn nieuwste boek The Power And The Money: Inside The Wall Street Journal.

The Wall Street Journal is geen krant die de hand graag in eigen boezem steekt. De berichtgeving over de handel en wandel van Dow Jones is doorgaans karig. Jaren geleden zag de krant zich evenwel genoodzaakt om een loodzwaar requisitoir tegen het eigen journalistieke beleid te publiceren. Dat was naar aanleiding van de onthulling dat journalist Foster Winans de gegevens voor de rubriek Heard On The Street vóór publikatie had doorgespeeld aan het effectenkantoor Kidder Peabody. Dit Newyorkse makelaarshuis had met deze voorwetenschap belangrijke winsten behaald. De krant had zich niet zuinig betoond met het toegeven van schuld, maar het was Winans zelf die zich achteraf in een boek over de affaire beklaagde over de laaghartige wijze waarop de Journal hem aan de sabel had geregen; men was gaan wroeten in zijn privé-leven en daar kon geen zinnige verdediging voor worden aangevoerd.

Al eerder had Edward E. Scharf onthuld dat de beroemde publicist Daniel Dorfman, een nobody's fool die de zakenetiquette en het kleedgedrag van Wall Street stelselmatig negeerde, bij de krant het veld had moeten ruimen nadat hij in ruil voor een lucratieve tip een pakket aandelen had toegeschoven gekregen. Het dagblad hield meer verborgen dan wenselijk was.

In zijn boek hangt Francis X. Dealy nog meer vuile was buiten. Dealy wijt het falen van The Wall Street Journal en van uitgeverij Dow Jones volledig aan het gebrekkige beleid van de inmiddels afgetreden topman Warren Phillips en zijn opvolger Peter Kann. Laatstgenoemde kreeg het zelfs voor elkaar om zijn vrouw te bevorderen tot o.a. vice-president van Dow Jones.

Deze en andere staaltjes van nepotisme zijn volgens Dealy ook de oorzaak van het weinig voortvarende redactionele beleid. Het spaarbankenschandaal werd grotendeels genegeerd, de zaak rond junk bond-koning Michael Milken niet goed uitgediept. Het blad zag zelfs Zwarte Maandag, de dag dat de Dow Jones-index 508 punten kelderde, niet aankomen. In veel gevallen waren de economische redacties van The New York Times en de Los Angeles Times The Wall Street Journal te slim af.

Ook met andere activiteiten van Dow Jones is de directie niet altijd even gelukkig geweest. Het bedrijf geeft naast de Journal het zakenblad Barron's en 23 lokale kranten uit, en exploiteert een nieuwsagentschap en de financiële databank Telerate. Deze laatste aquisitie heeft Dow Jones 1,6 miljard dollar gekost, terwijl men Telerate al in 1974 voor minder dan 1 miljoen dollar had kunnen overnemen. Pogingen om het Financial News Network (FNN) te kopen liepen spaak omdat NBC (eigendom van General Electric) er meer geld voor over had. Een gemiste kans, zo schrijft Dealy, want met FNN had The Wall Street Journal de inhoud van de krant via de telefoon en de kabel aan 35 miljoen huishoudens kunnen aanbieden. Toen bekend werd dat NBC FNN wilde samenvoegen met zijn financiële kabelzender CNBC - sinds kort via NBC Super Channel ook in Nederland te zien - begon Dow Jones heftig te protesteren bij de Federal Trade Commission, de waakhond van de Amerikaanse antitrust-wetgeving.

vraag is of de auteur wel zoveel recht van spreken heeft. Dealy speelde namelijk een niet geringe rol bij een van de grootste mislukkingen van Dow Jones, de acquisitie van Book Digest Magazine, een variant op Het Beste van Reader's Digest. Van 1979 tot 1982 was Dealy directeur van dit tijdschrift, dat eigenlijk al van meet af aan ten dode was opgeschreven: eerst werden de direct mailing-acties - essentieel voor het voortbestaan van het blad - afgeschaft. Een joint venture met Reader's Digest strandde in het zich van de haven. Toen het nog slechter ging en men besloot de titel maar weer te verkopen, kon de uitgeverij geen koper vinden. Exit Book Digest. Het avontuur heeft Dow Jones zeker 10 miljoen dollar gekost. Dealy houdt zichzelf buiten dit verhaal, maar uit de verongelijkte toon van het boek valt op de maken dat hij nog een appeltje met zijn vroegere werkgever te schillen had.