IDFA biedt af en toe een pareltje in grillig programma

Het 6de International Documentary Filmfestival Amsterdam (IDFA). Amsterdam, Alfa, De Balie en Nederlands Filmmuseum. Tot en met 16 december.

Er zijn maar weinig filmfestivals in de wereld met een directeur die vier dagen voor het begin van het evenement moeder wordt. Ally Derks, oprichtster en bezielende kracht van het vanavond voor de zesde keer geopende International Documentary Filmfestival Amsterdam (IDFA), maakt in meer opzichten de indruk niet zo planmatig te werk te gaan. Het is de charme en de zwakte van IDFA dat de dingen er lijken te gaan zoals ze gaan. Als een nationaal retrospectief, zoals dit jaar gewijd aan Indonesië, niet blijkt op te leveren wat gehoopt werd, dan wordt dat programmaonderdeel te elfder ure afgelast en vervangen door een, ook heel aardige, andere selectie: van documentaires die ooit een Oscar in de wacht sleepten. Het onbegrensde improvisatievermogen van de IDFA-staf staat garant voor een soepel verloop van de zesde editie, ook al is de directeur even met andere dingen bezig.

De zwakte van IDFA's onbekommerde dadendrang is de willekeur die met name spreekt uit de samenstelling van het competitieprogramma. Net als vorige jaren bevat die persoonlijke keuze van Ally Derks uit het steeds verder uitdijende internationale aanbod aangename verrassingen, voorspelbare exercities en ernstige missers. Bijzonder jammer is het dat de hoge kwaliteit van de recente Nederlandse documentaireproduktie niet blijkt uit het lijstje voor de Joris Ivens Award in aanmerking komende Nederlandse titels. De al veel geprezen films van bij voorbeeld Jos de Putter, Johan van der Keuken, Heddy Honigmann (dit jaar IDFA-jurylid) en Sonia Herman Dolz kunnen alleen buiten mededinging vertoond worden, omdat ze al eerder - vooral tijdens de Nederlandse Filmdagen - uitgebracht werden. De op IDFA voor het eerst vertoonde Nederlandse documentaires missen allemaal de uitzonderlijke kwaliteit om de internationale toets der kritiek te kunnen doorstaan. Ook hier zou dus enige planning, bij voorbeeld in het claimen van premières van verwachte hoogtepunten, geen kwaad kunnen.

Een mooi voorbeeld van hoe de programmering ten onrechte vaderlandse minderwaardigheidscomplexen versterkt, deed zich voor tijdens een van de aan het festival voorafgaande persvoorstellingen. Daar was eerst de documentaire Ontdaan van Ton Koole te zien. Op zichzelf genomen is het een verdienste om de dementerende bewoners van een verpleeghuis gedurende 97 minuten te durven portretteren. Koole bijt zich vast in de ongerijmdheid van hun taal en gedrag, waaruit de menselijke aard tamelijk naakt naar voren komt. Vooral de mannen laten zich kennen als seksueel geobsedeerd, agressief en wanhopig. Het is ook een ontluisterende aanblik: de film observeert zonder context, zonder de geschiedenis van de personen in beeld te vertellen. Dat scheept de kijker op met een ongemakkelijk, voyeuristisch gevoel, dat noodzakelijkerwijs veroorzaakt wordt door deze verzameling bizarre plaatjes en praatjes. Zo kun je ook 'cinéma vérité' maken door je camera op het toilet neer te zetten.

Het verschil tussen Ontdaan en een echte documentaire werd pijnlijk duidelijk door de erop volgende vertoning van de kortere Finse film Tell Me What You Saw (Sanokaa mitä näitte) van Kiti Luostarinen. Ook hier verschijnt een dementerende bejaarde, naar wij begrijpen de moeder van de regisseuse, maar haar verleden wordt uitgebreid gereleveerd, door haar vier dochters en zoon. Dit droeve eindstation is een van de stukjes van een puzzel, een familiegeschiedenis met verwrongen herinneringen, associaties, een verhaal van liefde en haat, verwaarlozing en aanrakingen, met een lijk dat vlak voor het einde uit de kast komt. Luostarinen doet niet aan 'cinéma vérité', integendeel: veel van de gebruikte foto's en stukjes archieffilm passen vermoedelijk alleen emotioneel bij het verhaal. Een bijzondere plaats nemen de dieren in, vooral de kat van de familie, als onmisbare katalysatoren van de herinnering. Tell Me What You Saw is een briljante film, die de waarheid overtuigend bij elkaar jokt. In een stijl die soms aan de korte films van Jane Campion doet denken, en dan weer aan Orson Welles' speurtocht naar het rozeknopje in Citizen Kane of aan Chris. Markers kattenliefde, bewijst Luostarinen de stelling die François Niney in het nieuwe tijdschrift DOX poneert: “De documentaire stelt de protagonisten bloot aan acteren zonder masker, maar de waarheid kan zichzelf alleen gemaskerd onthullen (zoals altijd al gedemonstreerd door dromen, orakels, kunstenaars en, meer recent, psychoanalytici)”.

Als je het IDFA beschouwt als een uitnodiging tot een vrije wandeling door een grillig landschap, dan kun je er met groot genoegen zo'n pareltje als Luostarinens film aantreffen.