Fiscale overval

Bij het bestrijden van legale belastingconstructies wordt soms onverhoeds aangekondigd dat er met onmiddellijke ingang mazen in de wet worden gedicht. Dat gebeurt meestal bij persbericht. De aankondiging wordt steevast gevolgd door een wetsvoorstel dat de voorgenomen maatregel moet bekrachtigen. De Tweede Kamer beslist dan in alle rust aan de hand van het advies van de Raad van State, van artikelen in de (vak)pers en van de uitkomst van de gedachtenwisseling met de regering. De na rijp beraad aanvaarde wet werkt terug tot de datum van aankondiging. Deze handelwijze is niet populair bij de belastingadviseurs, maar is algemeen aanvaard.

Onaanvaardbaar evenwel is de overvaltechniek die regering en Tweede Kamer vorige week hebben gekozen bij de aanpak van twee constructies. Dat gebeurde in het kader van de verlaging van de vermogensbelasting. Het is politiek wat onlogisch juist nu de lasten van de rijksten te verlichten, maar vermogende landgenoten hebben dat afgedwongen onder de dreiging massaal naar België te verhuizen. Het toegeven aan de groep kiezers die 'stemt met de voeten' is al jarenlang een veel besproken en controversieel onderwerp. Er liggen dan ook maar liefst drie wetsvoorstellen om het probleem aan te pakken. Eén van de regering, één van de regeringspartijen en één van de VVD. De regering heeft haar voorstel iets omgebogen in de richting van haar geestverwanten in de Kamer. Dat gebeurde enkele maanden geleden bij nota van wijziging waar een advies van de Raad van State bij zat. Enkele dagen voor de behandeling van het gewijzigde voorstel kwam de regering evenwel met een volgende nota van wijziging. Hoewel die ingrijpender is dan zijn voorganger, was de Raad van State er niet over geraadpleegd. Tijdgebrek werd als enig excuus aangevoerd. De nieuwe nota behelst de aanpak van een fiscale constructie waarmee directeuren-grootaandeelhouders jaarlijks tien miljoen gulden aan de schatkist onthouden. De constructie zorgt er voor dat een bedrijf het nog niet aan de directeur uitbetaalde salaris wel meteen als verliespost kan boeken, terwijl het salaris voor de directeur (nog) geen fiscaal inkomen vormt. Overeenkomstig het regeringsplan slaat met ingang van 1 januari 1994 het gebruik van de constructie om van een voordeel in een nadeel. Waar het hem goed uitkomt, doet de fiscus namelijk net alsof het uitgestelde salaris wel degelijk meteen is uitbetaald. Die fictieregeling lijkt adequaat en goed hanteerbaar, maar de narigheid is dat nog niemand buiten het ministerie van financiën meer dan een week de tijd heeft gehad om verborgen problemen op te sporen. De interpretatie van de gehanteerde, uiterst subjectieve criteria, zou wel eens voor problemen kunnen zorgen.

Nog korter was de voorbereidingstijd bij het amendement van het Kamerlid Reitsma (CDA) dat bij de berekening van de vermogensbelasting resoluut een streep haalt door de privé-renteaftrek. Alleen betaalde rente tot een bedrag van 20.000 gulden telt fiscaal nog mee, evenals hypotheekrente. “Het is moeilijk om alle gevolgen van zo'n ingreep meteen te overzien”, zo stelde CDA-staatssecretaris Van Amelsvoort (financiën), toen hem in de Kamer naar zijn standpunt over het amendement werd gevraagd. Hij vervolgde: “Is het onderscheid tussen rente in de ondernemerssfeer en rente in de privésfeer zo eenvoudig te maken in de praktijk? Zal de fiscus door het amendement in bepaalde gevallen de fiscale emigratie niet eerder stimuleren dan ontmoedigen? Ik weet zo gauw geen antwoord op die vragen.” De indieners van het CDA/PvdA-amendement zijn dat antwoord ook schuldig gebleven. De praktische gevolgen en trouwens ook de emigratie-effecten van het amendement zijn duister. Weinig verhelderend is de benadering van een mede-ondertekenaar van het amendement, het CDA-Kamerlid Vreugdenhil over de verhuizende miljonairs: “Je verliest er niet veel aan als zij emigreren, want ze betalen nu ook niets.”

De Tweede Kamer heeft inderhaast twee ingrijpende technische aanpassingen van de belastingwetgeving aanvaard zonder zich over de uitvoerbaarheid te bekommeren en zonder de moeite te nemen de opinie van deskundigen in te winnen. Zo'n onzorgvuldige en arrogante aanpak valt niet te rechtvaardigen met het excuus dat het toch maar gaat om mensen met een onsympathieke houding tegenover de fiscus. Ook het argument dat er haast is geboden om de wijzigingen vanaf 1 januari 1994 effectief te laten zijn, is ontoereikend. Een beetje betere planning had bij een onderwerp, dat al meer dan vier jaar de politieke agenda staat, niet misstaan. Respect voor degenen die aan de belastingwetgeving zijn onderworpen en degenen die hem moeten toepassen, vraagt meer zorgvuldigheid van de wetgever dan CDA en PvdA hebben getoond.